De baardagaam van kop tot staart

Categorie: Hagedissen

Auteur: Olivier Maes

Taxonomy

Taxonomy Vroeger werden baardagamen tot de genus Amphibolorus gerekend.
Glen Storr heeft in 1982 baardagamen een nieuwe naam gegeven en bij deze was het genus Pogona geboren.
Pogona komt van het Griekse woord ‘pogon’ wat in het Nederlands ‘baard’ betekend.

Onstaan

Hylonomus is het oudst bekende, volledig aan het landleven aangepaste reptiel en derhalve een mijlpaal in de evolutie van het leven op het land. Hij leefde tijdens het Laat-Carboon in Noord-Amerika (Nova Scotia).
Enkele miljoenen jaren na het ontstaan van Hylonomus ontwikkelden er zich meerdere soorten reptielen die steeds verder de nieuwe wereld exploiteerden. Het waren hagedisachtige dieren die niet veel van elkaar verschilden behalve wat betreft het aantal schedelvensters. Elk van deze dieren zou langzamerhand gestalte geven aan één van de drie grote klassen der reptielen.
Archaeothyris, die beschikte over één schedelvenster, was de grondlegger van de Synapsiden. Petrolacosaurus, die beschikte over twee schedelvensters, was de grondlegger van de Diapsiden.
En ten slotte was er Hylonomus zelf, wiens schedel helemaal geen vensters bevatte, en zo de grondlegger was van de Anapsiden. Al deze genoemde dieren leefde bij elkaar, in Noord-Amerika tijdens het laat-Pennsylvanian. Ze hadden maar weinig verschillen, behalve de schedelbouw. Met het verstrijken van tijd zouden hun verschillen groeien en de groepen dieren splitsten zich op en pasten zich aan aan verschillende omstandigheden.

Er wordt dus veronderstelt dat de orde Squamata reeds aanwezig waren op Pangea sinds het midden-Trias(ong. 230 miljoen jaar geleden). Deze veronderstelling is gebaseerd op het feit dat hun zuster taxon Sphenodontida toen ook reeds bestond (Evans 1995).
Toen Gondwana brak (tijdens het Trias 182 miljoen jaar geleden) werden Iguana en Gekkota geïsoleerd in drie zuidelijke landmassa’s (Estes 1983) :

Zuid-Amerika (iguanidae , sphaerodactylinae geckos)
De Australische regio (agamidae , diplodactylinae geckos)
Afrika-Madagaskar (oplurinae , gekkonidae)

Soorten

De eerste beschreven soort in de literatuur was Pogona barbata. Later werden er veel ondersoorten van Pogona verward met deze soort. Onder meer ook de bekende Pogona vitticeps.

De verschillende baardagamensoorten zijn:

* Pogona vitticeps
* Pogona barbata
* Pogona microlepidota
* Pogona minima
* Pogona minor
* Pogona mitchelli
* Pogona nullarbor
* Pogona henrylawsoni.

Rond deze laatste heeft wel wat verwarring ontstaan. Zo was er een tijd sprake van Pogona rankini en/of Pogona brevis.

Algemeen

De Pogona sp. kunnen we tot de kleine tot middelgrote hagedissen rekenen. Ze behoren tot de familie der Agamen(Agamidae).
Kenmerkend voor Pogona is hun brede, driehoekvormige kop, horizontaal afgeplat lichaam. Pre-anale en femorale poriën zijn duidelijk zichtbaar.
De oogleden en het trommelvlies zijn goed zichtbaar en de ooropeningen zijn groot.
Het lichaam wordt bedekt door grote schubben langs de ruggengraat. Die schubben zijn op de flanken gekorreld, afgewisseld met talloze puntige knobbeltjes. Aan de zijkanten van de hals en op de keel zitten groepen puntige schubben, die eruitzien als lange stekels en die tezamen de ‘baard’ vormen. Dwarsliggende schubben bedekken de achterzijde van de kop. Het bovenste gedeelte van het lichaam is meestal grijs-bruinachtig van kleur, doch kan variëren van geelachtig tot rode tinten. Sommige kwekers proberen deze kleuren te versterken en kleven er commerciële namen op. Aan de onderkant is het lichaam lichter. Goed te onderscheiden zijn twee vlekken aan beide zijden van de hals.
Autotomie (=het afwerpen van de staart) komt bij baardagamen niet voor.

De soorten zijn ‘semi-arboreal’. Dit wil zeggen dat ze niet enkel op de grond leven maar ook regelmatig in bomen en struiken klimmen. Dit doen ze onder meer om hun lichaamstemperatuur te regelen, hun omgeving af te speuren en dergelijke meer.
De nacht brengen ze door in holle bomen, onder struiken of in konijnen- of wombatholen.

In hun verspreidingsgebied komen de temperaturen 's nachts in de winter regelmatig onder het vriespunt. In deze tijd houden ze een winterrust die af en toe onderbroken wordt.
Er is zelfs eens een vrouw gezien die aan het zonnen was in de late winter (begin augustus) wanneer de luchttemperatuur 15° C was (McAlpine 1995)
Hun voedselopname wordt in deze periode drastisch verminderd. Tijdens deze rust verloopt de stofwisseling heel traag. De ademhaling is zwak en de hartslag zeer langzaam.
De hoogste activiteitsgraad bij Pogona is in de lente (eind augustus tot eind oktober) Ook in de herfst zijn de dieren vrij actief. De winter brengen ze dus rustend door en in de zomer proberen ze de heetste momenten van de dag te vermijden.
In de lente zijn er meer mannen te zien dan vrouwen (Sadlier en Shea 1989).
Dit komt omdat de mannen dan heftig hun territorium gaan verdedigen en op zoek gaan naar vrouwtjes.
Het voortplantingsseizoen begint dus wanneer het weer warmer wordt. Dit is zo rond eind augustus of eind september afhankelijk van de plaats. Bij een paring bijt de mannelijke baardagame in de nek van het vrouwtje om haar zo stevig vast te houden. Hij drukt zich in een schuine houding stevig tegen haar aan en brengt zo zijn hemipenis in de cloaca van het vrouwtje.
Alle soorten zijn eileggend en produceren soms meer dan één legsel per seizoen. Jammer genoeg zijn er zelden in het wild paringen geobserveerd.
Baardagamenvrouwtjes kunnen ook het sperma opslaan in de zogenaamde ‘spermatheek’. Dit kunnen ze dan gebruiken voor de latere bevruchting van eieren.

De dieren zijn voornamelijk dagactief. Toch zijn ze soms te zien in het donker op wegen voornamelijk na hete dagen (Valentic 1995).
Daar Pogona visuele jagers zijn, zien hun ogen vanzelfsprekend zeer goed.

De tanden van Pogona zijn typisch voor het genus.
Baardagamen hebben zoals alle Agamidae en Chamaeleonidae een acrodont gebit.
Acrodont betekent dat de tanden "samengesmolten" zijn met de kaken. De tanden staan dus op de kaken.
De Iguanidae daarentegen hebben een pleurodont gebit. Bij hen staan de tanden in groeven in de kaken. De tanden staan dus naast de kaken.
Het typisch kenmerk is dus hun ‘baard’.
Vandaar hun Nederlandse naam ‘baardagamen’. Bij een aantal Pogona sp. kan deze baard opgezet worden en veranderen van kleur. P. henrylawsoni, P. minima en P.minor missen dit verschijnsel.

Verspreidingsgebied

Pogona vitticeps is een bekende hagedis afkomstig van Australië.
Oorspronkelijk werd Australië het "Terra australis incognita" genoemd = het Onbekende Zuidland. Het is het kleinste van de bewoonde continenten en ligt ten zuidoosten van Azië. Behalve de Zuidpool is Australië het enige continent dat in zijn geheel op het zuidelijk halfrond ligt. Het continent grenst aan de oostzijde aan de Grote Oceaan (meer specifiek de Koraalzee en de Tasmanzee), aan de overige drie zijden aan de Indische Oceaan.
Australië heeft een totale landoppervlakte van 7.682.300 miljoen km2 en een kustlijn van meer dan 36.000 kilometer. Australië is ongeveer net zo groot als de Verenigde Staten (zonder Alaska) en 240 keer zo groot als Nederland. De afstand oost-west bedraagt ca. 4000 kilometer en de afstand noord-zuid ca. 3200 kilometer. Het noordelijkste punt is Cape York, het zuidelijkste South East Cape, het westelijkste Steep Point en het oostelijkste Cape Byron.

De verschillende Pogona- soorten komen voor in het overgrote deel van het vasteland van Australië.

Ze komen voor in allerlei verschillende habitats. Zo vind men soorten in de nattere gedeeltes van Australië tot in de droge woestijnen. Toch hebben de meeste soorten een voorkeur voor open bosland. Ook blijken soorten een voorkeur te hebben voor recente afgebrande gebieden.
Pogona Vitticeps komt voor in het oostelijk deel van centraal Australië. Dit omvat delen van Queensland, New South Wales, Victoria, South Australia en Nothern Territory.

Sociale interacties

Als eerste punt verklaar ik de functies van de ‘baard’.
Het opzetten van de baard heeft meerdere functies. Ten eerste is het een afschrikmiddel voor mogelijke vijanden. Door het opzetten van de baard en het afplatten en schuin opstellen van het lichaam ziet de hagedis er plots veel dreigender uit in de hoop zijn belagers te kunnen misleiden. Wanneer dit mislukt zal het dier vluchten. Baardagamen kunnen zelfs alleen op de achterpoten op de vlucht slaan(Daly 1997). Dit gedrag komt wel meer voor bij slankere hagedissen met meestal langere achterpoten maar bij een kortpotige en zwaardere hagedis als een baardagame is dit wel verassend..

Ook speelt de baard een rol bij voortplantingsgedrag. Hier gaat de mannelijke baardagame ook een zwarte baard vertonen. Bijkomende gedragingen in de voortplantingstijd (en ook bij defensie) zijn bij mannen het kopknikken. Dit wordt gebruikt om dominantie en viriliteit uit te drukken.

De complexiteit van signalen varieert tussen verschillende soorten reptielen en wordt bepaald door de hoeveelheid modifiers die bij het normale kopknik- en opdrukgedrag bijgevoegd worden. Zo ziet men armzwaaien, opblazen van de keelzak, zwiepen met de staart, kleurveranderingen en opblazen van het lichaam en dergelijke meer.
Variaties in het gebruik van de modifiers beïnvloeden het resultaat van sociale interacties(Jenssen 1977,1978;Martins 1991).
Jenssen(1978) speculeerde dat zulke omvangrijke repertoires het risico op verwondingen moeten verminderen wanneer twisten tussen mannen frequent voorkomen. Deze signalen staan toe de tegenstander te beoordelen en zo de kans op verwondingen te reduceren.
Mannelijke baardagamen verdedigen territoria die overlappen met verschillende gebieden van vrouwtjes. Wanneer er conflicten ontstaan aan de grenzen worden deze eerst bemiddeld door uitwisseling van signalen, maar wanneer de afstand tussen de mannen verminderd en wanneer grenslijnen worden overschreden worden deze signalen steeds heviger(Hover en Jenssen 1976) Wanneer de mannen gelijk zijn in grootte en fysieke conditie kunnen zulke twisten uitmonden in gevechten.

Warmteregulatie

Pogona zijn koudbloedige dieren en kunnen dus , in tegenstelling tot de mens , geen constante temperatuur handhaven. De dieren zijn afhankelijk van de zon en externe factoren om hun lichaamstemperatuur op een gewenst peil te houden. Ze kunnen alleen leven, als de temperatuur van de lucht tussen een bepaalde boven- en ondergrens ligt. Bij een optimale temperatuur functioneren ze het best.Warmteregulatie van de dieren is een van hun belangrijkste taken van de dag. Hierdoor moeten de dieren zonnen om de gewenste temperatuur te bereiken om zo al hun functies (b.v. vertering van het voedsel) te kunnen bewerkstelligen. Langs de ene kant moeten ze dus zorgen dat ze niet te koud worden maar langs de andere kant moeten ze ook waken tegen oververhitting. Pogona in het wild passen dan ook strategieën toe om de gewenste temperatuur te bereiken. ’s Morgens zullen ze meestal dicht bij de grond (of in bomen) aan het zonnen zijn. Naarmate de dag vordert kan het in het binnenland van Australië gloeiend heet worden! Voor de dieren wordt de grond dan letterlijk te heet onder de voeten. Om dit te ontwijken klimmen ze dan meestal bomen en struiken in.
Op hete ondergrond is waargenomen dat baardagamen hun tenen opheffen en zo slechts de grond raken met hun ‘hielen’ en ‘polsen’. Ook is waargenomen dat ze om beurten één voorpoot opheffen.

Tijdens extreem warme periodes blijven sommigen voor lange tijd hoog boven de grond. Voorbeeld : op een bepaald moment is er een man geobserveerd die 3 weken in dezelfde boom bleef 3 meter boven de grond (McAlpine 1995).
Baardagamen kunnen een lichaamstemperatuur van 42° C gedurende 2 uur overleven maar sommigen stierven na een uur bij een lichaamstemperatuur van 45° C (Bartholomew en Tucker 1963).

Een ander hulpmiddel dat Pogona sp. gebruiken om hun lichaamstemperatuur te regelen is hun hartslag. Als de Pogona uit een koele zone komen om te zonnen gaat hun hart veel sneller slaan. Hierdoor warmen ze sneller op. Omgekeerd is ook waar : als een Pogona van een warme zone naar een koelere zone gaat begint zijn hart trager te slaan. Door deze techniek kunnen ze dus sneller opwarmen dan dat ze afkoelen en kunnen ze langer actief zijn.
In het laboratorium sloeg het hart van een Pogona barbata die snel opgewarmd was tot 39° C een 100 maal per minuut. Toen de baardagame weer werd afgekoeld tot 20-26° C sloeg het hart maar een 20-23 maal per minuut(Bartholomew en Tucker 1963).
Opmerkelijk is wanneer de temperaturen erg hoog zijn en er kans is op oververhitting zal de Pogona zijn hart ook trager beginnen slaan. Dit is eigenlijk een contradictie met de hierboven omschreven methode.
Deze studies hebben aangetoond dat de warmteregulatie van reptielen veel complexer is dan wat eerst werd gedacht.

De dieren kunnen hun lichaamskleur in enige mate veranderen. Vooral 's morgens kunnen ze erg donker zijn. Dit is een hulpmiddel om sneller te kunnen opwarmen na een koude nacht want een donkere huid neemt sneller warmte op.
Na de juiste temperatuur bereikt te hebben kleuren ze weer terug naar hun "normale" kleur. Tegelijkertijd "blazen ze hun lichaam op" waardoor er een groter oppervlak ontstaat waardoor ze ook weer sneller op temperatuur komen. Als het te warm wordt kunnen ze juist veel lichter worden om zo minder warmte op te vangen.
De hagedissen kunnen vrij snel van kleur veranderen. Zo is er een baardagame gezien die van een volledige gele kleur in een aantal minuten bijna volledig zwart kleurde (W.Schevill , in Loveridge 1934).

Als de schaduw en andere methodes niet toereikend zijn om af te koelen hebben de dieren nog een methode. Ze sperren hun bek wijd open. Hierdoor wordt de ademhaling versneld en door ‘transpiratie’ via de tong en de mondslijmvliezen wordt de lichaamstemperatuur omlaag gebracht.

Pogona vitticeps komt vooral in drogere streken voor en heeft daarom geen grote behoefte aan vocht.
In gevangenschap drinken slechts sommigen uit een waterschaaltje. In het wild is er ooit een aparte methode van drinken gesignaleerd : tijdens een lichte regenbui was er een individu die hoog op zijn achterpoten stond met zijn hoofd naar beneden. Het water stroomde van achter naar voor en zo likte hij de druppels op. De baardagame hield deze positie 20 tot 30 minuten lang vol (Fitzgerald 1983).

Bloedsomloop, ademhaling en uitscheiding

Reptielen hebben een dubbele bloedsomloop : de kleine bloedsomloop leidt het bloed naar de longen, de grote bloedsomloop verspreidt het bloed door het gehele lichaam.
Het hart van een reptiel bestaat uit twee boezems en één kamer. Deze ventrikel is gedeeltelijk in tweeën gedeeld, zodat het zuurstofarme bloed zich meer of minder kan vermengen met het zuurstofrijke bloed. Bij alle reptielen komen achter het hart twee aortabogen bij elkaar. Ze vormen de aorta, waarvan de aftakkingen – de hoofdslagaders – het bloed naar de kop transporteren en het centrale zenuwstelsel voeden.
De uitscheiding van afvalproducten wordt geregeld door twee nieren. De urineleiders monden uit in een cloaca. De meeste landbewonende reptielen scheiden voornamelijk ureum (= eindproduct van de eiwitstofwisseling door de nieren) uit, dat als een witte massa – samen met de uitwerpselen – het lichaam verlaat.

Voorheen werd altijd gedacht dat Pogona sp.(en andere reptielen) alleen nasale ademhaling gebruikten. Dit is zeker waar wanneer de hagedissen rustig zijn. Een studie heeft aangetoond (trouwens niet enkel voor Pogona sp. maar ook Varanus sp.) dat baardagamen tijdens en na een hevige loopperiode mondademhaling toepassen. De bijdrage van de mondademhaling was wel verschillend van soort tot soort. Van de onderzochte soorten was Varanus mertensi de hagedis die het meeste mondademhaling toepaste. Dit komt waarschijnlijk door het feit dat zijn neusopeningen vrij klein zijn en kunnen afgesloten worden om te verhinderen dat er water binnendringt tijdens het zwemmen.

Voedsel

Baardagamen zijn omnivore dieren. In het wild is het voedsel gevarieerd. Over de hoeveelheid plantenkost dat ze eten is nog steeds enige onduidelijkheid. Zo stelde herpetoloog Fred Rossignoli vast dat in de ontlasting van verschillende baardagamen voornamelijk zaden zaten. Raymond Hoser daarentegen stelde vast dat verschillende baardagamen voornamelijk kevers aten. Anderen zeggen weer relatief veel mieren. Waarschijnlijk hangt dit af van het seizoen en de plaats waar de baardagamen zich bevinden. De dieren eten regelmatig planten en bloemen zoals gele dandelions (Kennerson en Cochrane 1981). Ook uit Australië is bekend dat ze sonchussoorten eten (melkdistels).
De tong van Pogona sp. is vrij lang en kleverig.

Er een hypothese dat herbivore en omnivore hagedissen door middel van de tong een chemisch onderscheid kunnen maken tussen voedsel om zo voedsel te kunnen herkennen en om de kwaliteit ervan te kunnen evalueren (William E. Cooper, Jr. 2000).
Hieronder de beschrijving van de studie :

Chemische stimulansen van krekels en wortels (beiden graag gegeten voedsel) en stimulansen van alfalfa en gedeïoniseerd water (dat geen graag gegeten voedsel was) werden aangeboden op een katoenen stukje stof.
Het resultaat was dat de hagedissen meer likten met de tong en meer knabbelden aan het stukje met de chemische stimulansen van het geprefereerd voedsel dan aan het andere stukje.

Bronnen

Pogona – From an autralian perspective, Raymond Hoser
Austral Ecology (2001) 26, 660-669 Jane Melville en James A. Schulte
J. theor. Biol. (2000) 203, 97-109 F. Seebacher
The Journal of Experimental Biology (2002) 205, 2167-2173 A. Herrel and others
Proc. R. Soc. Lond. B (2001) 268, 737-744 T.J. Ord and others
Experimental Biology Online (EBO) 1999 4:4 T.J. Schultz and others
The American Naturalist july 2003 vol. 162, no.1 Laurie J. Vitt , Eric R. Pianka, William E. Cooper, Jr. And Kurt Schwenk
Encyclopedie : De geheimen van het dierenrijk (uitgeverij Lekturama)
Encyclopedie : Geheimen der dierenwereld : de kille wereld der stilte (uitgeverij Lekturama)
Succes with a reptile pet : Bearded Dragon by Tom Mazorlig
Encyclopedie van dinosauriërs en andere prehistorische dieren

afbeelding
afbeelding afbeelding afbeelding afbeelding