Lidgekko's
Categorie: HagedissenAuteur: Mark van IJzendoorn
De meest gehouden gekko, en misschien wel de meest gehouden hagedis, behoort tot de familie Eublepharidae, in gewoon Nederlands: Lidgekko’s. Deze naam hebben zij te danken aan het feit dat zij, anders dan alle andere gekko’s, beweegbare oogleden hebben. Een artikel over Luipaardgekko’s zou niets nieuws zijn; over dit dier is al veel geschreven. Over zijn familie daarentegen is vrij weinig bekend. Dat is jammer omdat veel familieleden leuke, fraaie en goed te houden terrariumdieren zijn. Met dit artikel hoop ik aan deze ‘kennislacune’ een einde te maken en een bijdrage te leveren aan de promotie van deze fantastische dieren.
Inleiding
Het artikel dat nu voor je ligt, is in een aantal
opzichten anders
dan je zou kunnen verwachten. Ten eerste is het lang en
ten tweede
gaat het niet in eerste instantie over het houden van
beestje
X. De meeste artikelen in terrariumtijdschriften gaan
over het
houden en kweken van een bepaald dier. Logisch, want
daar draait
onze hele hobby om. Het bespreken van de verzorging en
kweek van
álle lidgekkosoorten zou een te grote opgaaf zijn voor
in dit boekje. Om toch een goede en volledige indruk van
deze
familie achter te laten, bespreek ik de 6 geslachten van
deze
groep gekko’s en zal daarbij ingaan op hun levenswijze
in
de natuur, de verzorging in het terrarium en de kweek.
Het zal de oplettende lezer opvallen dat bepaalde
passages bekend
voorkomen. Dit kan heel goed kloppen omdat de laatste
tijd een
aantal artikelen van mij zijn verschenen waarin één
bepaalde lidgekko werd besproken. Ik heb geprobeerd om
herhaling
zo veel mogelijk te voorkomen, maar ik zal daar vast en
zeker
niet voor de volle honderd procent in geslaagd zijn.
Eublephariwattus?
Lidgekko’s onderscheiden zich van de andere gekko’s
door hun bewegende oogleden. In principe is hiermee
voldoende
gezegd. Met deze wetenschap kun je immers probleemloos
lidgekko’s
van niet-lidgekko’s onderscheiden. Ik wil me er echter
niet
zo gemakkelijk van afmaken en daarom introduceer ik de
lidgekko’s
in dit artikel aan de hand van taxonomisch geneuzel.
Gekko’s
zijn, ondanks dat ze als huisdier ‘makkelijk’ zijn,
voor wetenschappers helemaal niet zo eenvoudig. De
systematiek
van deze gekko’s is al jaren het strijdtoneel van
biologen,
herpetologen, taxonomen en andere deskundologen. Een
eenduidige
taxonomische indeling is dan ook niet te geven.
Desondanks valt
er in het woud van de taxonomische schema’s wel
duidelijkheid
te scheppen, wat ik dan ook zal trachten te doen.
Grofweg zijn er twee groepen van classificatieschema’s.
De ene noem ik voor het gemak de eenvoudige indeling en
de andere
de gecompliceerde. Klinkt logisch. Om te beginnen de
eenvoudige
indeling: Deze gaat uit van één familie der Gekkonidae.
Deze familie bestaat uit 3, dan wel 4 subfamilies, te
weten de
Eublepharinae (lidgekko’s), Diplodactylinae
(Australische
gekko’s), Gekkoninae (‘eigenlijke’ gekko’s)
en Sphaerodactylinae. Deze laatste subfamilie wordt door
sommige
wetenschappers niet erkend en zij delen deze gekko’s bij
de Gekkoninae in.
De familie der Gekkonidae wordt vervolgens onder de
infraorde
der Gekkonomorpha of Gekkota ingedeeld. Deze infraorde
bevat naast
de Gekkonidae dan nog een aantal andere families. Deze
zusterfamilies
blijken erg lastig te classificeren en met deze families
is dan
ook constant geschoven. De meest bekende kandidaten zijn
de Pygopodidae,
Dibamidae en de Xantusiidae.
Als u dit al ingewikkeld vindt, heb ik nog een
verassing voor
u: de gecompliceerde indeling. Deze indeling is een stuk
uitgebreider
dan de eerstgenoemde en komt ook wat onlogischer over.
Waar de
meeste auteurs het wel over eens zijn is het bestaan van
de infraorde
der Gekkonomorpha. Dalen we af naar de lagere taxa dan
wordt het
allemaal een stuk ingewikkelder. KLUGE (1967) verdeelt
de Gekkonomorpha
in twee superfamilies. De eerste superfamilie, de
Eublepharoidea,
zijn de lidgecko’s en de tweede superfamilie, de
Gekkonoidea,
de ‘normale’ Gekko’s. De Eublepharoidea bevat
slechts één familie: de Eublepharidae. De Gekkonoidea
bevat de overige twee families, de Pygopodidae en de
Gekkonidae.
Het eerste wat opvalt bij deze indeling is dat er niet
één
maar drie families zijn.
De infraorde en de superfamilies hebben we gehad en we
dalen af
naar het niveau van de families. Een aantal auteurs
hadden moeite
met de subfamilie status van de Eublepharinae. Gezien
hun toch
erg afwijkende lichaamsbouw maar vooral hun evolutie
wordt deze
groep tot familie verheven en heet dan ineens
Eublepharidae.
Hiermee is de familieruzie echter nog niet compleet. De
Australische
Gekko’s (Diplodactylinae) vinden dat zij toch ook wel
bijzonder
zijn en zijn van mening dat zij een familiestatus i.p.v.
een subfamiliestatus
verdienen. De meeste wetenschappers kunnen zich hierin
wel vinden
maar hoe ze dan precies ingedeeld moeten worden, is weer
onderwerp
van discussie. Als eerste is er een discussie over de
positie
van de Pygopodidae, een hagedis die in het geheel niet
op een
gekko lijkt (hij heeft geeneens, of nauwelijks,
pootjes!) en voorheen
ook nooit als echte gekko gezien werd. Sommige
wetenschappers
stellen echter dat in een ver verleden de Pygopodidae en
de Australische
gekko’s (Diplodactylinae) een gezamelijke voorvader
hadden.
In een moderne classificatie zou dit betekenen dat er
een familie
der Pygopodidae gecreëerd zou moeten worden, die
vervolgens
uiteenvalt in twee subfamilies: de Pygopodinae en de
Diplodactylinae.
KLUGE (1967) was de eerste die met dit idee kwam, maar
veel wetenschapper
hebben er toch wel wat moeite mee. Omdat de Pygopodidae
in het
geheel niet op wat voor een gekko dan ook lijken,
verbannen sommige
auteurs de Pygopodidae uit gekkoland.
Gaan we een stapje lager en gaan we kijken naar de
subfamilies,
is het allemaal en stuk eenvoudiger. De Eublepharidae
worden onderverdeeld
in twee subfamilies, te weten de Aeluroscalabotinae en
de Eublepharinae.
De subfamilie Aeluroscalabotinae bevat slechts één
soort, Aeluroscalabotes felinus. Wetenschappers zien
deze gekko
als de meest primitieve nog levende gekko.
De familie Pygopodidae bestaat, als we de indeling van
Kluge aanhouden,
ook uit twee subfamilies: de niet Pygopodinae en de
Diplodactylinae.
Vervolgens worden de Diplodactylinae onder verdeeld in
twee ‘stammen’:
de ‘primitievere’ Carphodactylini en de ‘modernere’
Diplodactylini.
De laatste familie, de Gekkonidae, wordt onderverdeeld
in 2, dan
wel 3, subfamilies. De eerste subfamilie is meteen de
meest bekende:
de Gekkoninae. Deze subfamilie is, om het zo maar te
noemen, de
nominaatfamilie. De ene auteur verdeelt deze subfamilie
weer onder
in twee stammen, te weten de Gekkonini en de
Sphaerodactylini;
andere auteurs verheffen de Sphaerodactilini tot een
subfamilie,
Sphaerodactylinae. Tot slot is er dan nog de subfamilie
Teratoscincinae,
die slechts één geslacht bevat, Teratoscincus. Vanwege
de aparte huid en schedelstructuur is dit geslacht in
een eigen
subfamilie geplaatst. Er zijn taxonomen die vermoeden
dat een
aantal andere geslachten ook tot deze subfamilie
behoren. Het
geslacht Stenodactylus Behoort tot een van de
kandidaten.
Ik heb getracht in zo weinig mogelijk woorden de hele discussie over de taxonomie van de gekko’s samen te vatten. Een aantal lezers zullen nu ongetwijfeld het spoor bijster zijn en zich afvragen: “hoe zit dat dan met die lidgekko’s?” Gelukkig is het ook mogelijk om lidgekko’s van niet-lidgekko’s te onderscheiden zonder in de jungle der wetenschap verdwaald te raken. Lidgekko’s zijn kortweg van niet-lidgekko’s te onderscheiden doordat ze beweegbare oogleden hebben. Als u nu begint te denken dat wetenschappers zaken vaak ingewikkelder maken in plaats van duidelijker, moet ik u bij deze gelijk geven. Om dit gecompliceerde verhaal toch nog enigszins begrijpelijk te maken, heb ik het in twee schema’s nog eens duidelijk weergegeven. In de rest van dit artikel zal ik de lidgekko’s als familie behandelen en gebruik ik dus de naam Eublepharidae.
Lidgekko's
Na deze uitweiding ga ik verder zoals ik dit artikel
begonnen
ben, namelijk met lidgekko’s. Zoals al eerder gesteld,
onderscheiden
lidgekko’s zich van andere gekko’s doordat ze beweegbare
oogleden hebben. Echter lidgekko’s hebben ook een ander
kenmerk dat hen van de andere gekko’s onderscheidt. Ze
leggen
allemaal zachtschalige eieren. Deze eieren dienen dan
ook anders
uitgebroed te worden dan de eieren van andere gekko’s,
namelijk
in een vochtig substraat en met een hoge
luchtvochtigheid. Hardschalige
eieren hebben soms wel een hoge luchtvochtigheid nodig
(eieren
van gekko’s die uit vochtige gebieden komen) maar het
substraat
mag eigenlijk nooit echt vochtig zijn. Een au bain-marie
broedstoof
met een vochtvasthoudend substraat als vermiculiet,
perliet, turfmolm,
o.i.d. doet bij zachtschalige lidgekko-eieren prima
dienst. Het
artikel van M. ERNST en I. VAN DIJSEN in Het Terrarium
van maart
2002 beschrijft hoe je een dergelijke broedstoof
eenvoudig en
goedkoop kunt maken. Alle lidgekko-eieren kunnen zo’n
beetje
op dezelfde manier worden uitgebroed. Het enige dat
verschilt,
is de incubatietemperatuur.
Naast de twee zojuist genoemde eigenschappen die
lidgekko’s
onderscheiden van de andere gekko’s, hebben lidgekko’s
ook nog een aantal opvallende kenmerken
gemeenschappelijk. Het
eerste kenmerk is dat, met uitzondering van
Aeluroscalabotes felinus,
alle lidgekko’s bodembewonend zijn. Dit houdt niet in
dat
ze alleen op de bodem zouden kruipen. Goniurosaurus spp.
En Coleonyx
spp. Klimmen ook regelmatig in struiken of op stenen.
Echt hoger
dan een meter komen ze niet en echt gladde, verticale
oppervlakten
worden niet beklommen.
Het tweede kenmerk is dat lidgekko’s zindelijk lijken te
zijn zijn. Ze hebben de handige gewoonte om hun behoefte
te doen
in een hoek van het terrarium. Deze hoek moet het liefst
wat hoger
liggen en wat vochtiger zijn dan de rest van het
terrarium. Een
stuk steen in een vochtige hoek doet prima dienst als
toilet.
Waarom deze dieren dit doen, is onduidelijk. Het zou te
maken
kunnen hebben met territoriumvorming of vanuit
hygiënische
redenen. Lidgekko’s blijven in de natuur meestal op
dezelfde
plek en maken geen verre reizen. Als ze hun uitwerpselen
dan maar
overal zouden laten slingeren, zouden ze op den duur
door hun
eigen vuil banjeren. Voor het baasje is het in ieder
geval erg
handig bij het schoonmaken: een keer in de week de
poephoek uitkuisen
en klaar!
Een laatste interessante wetenswaardigheid is dat het
verspreidingsgebied
van lidgekko’s niet geografisch beperkt is. Vaak is het
zo dat dieren die eenzelfde evolutionair pad bewandeld
hebben,
redelijk dicht bij elkaar voorkomen. Lidgekko’s hebben
zich
echter over de wereld verspreid en komen voor in Afrika
(Hemitheconyx,
Holodactylus), Azië (Aeluroscalabotes, Goniurosaurus,
Eublepharis)
en Amerika (Coleonyx). Ze bewonen daar ook verschillende
habitats,
variërend van droge steppes tot het tropisch regenwoud.
Lidgekko’s
zijn, ondanks dat ze toch allemaal tot dezelfde familie
behoren,
een diverse groep dieren. Dit tezamen met het gegeven
dat vrijwel
alle soorten redelijk eenvoudig in het terrarium te
verzorgen
zijn, maakt deze gekko’s erg leuke terrariumbewoners.
Jammer
is alleen dat slechts een paar soorten regelmatig in
terraria
gehouden worden.
Ondanks het feit dat de lidgekko’s over de hele wereld verspreid voorkomen en allemaal een vergelijkbare levenswijze hebben, zijn ze, wat betreft de verzorging in het terrarium, in grofweg twee groepen in te delen. De eerste groep bevat dieren die uit droge gebieden komen, de tweede groep uit dieren die uit vochtige gebieden komen. Binnen de twee groepen kunnen de soorten grofweg op dezelfde wijze gehouden worden. Voor de lidgekkofanaat is dit erg prettig omdat je dan niet zes verschillende biotopen hoeft na te bootsen.
De soorten
In het volgende gedeelte van dit artikel zal ik de zes
geslachten
bespreken. Ik zal daarbij ingaan op hun levenswijze in
de natuur,
het houden in het terrarium en de kweek. Ik heb
geprobeerd de
informatie kort en bondig, maar wel compleet te houden.
Aeluroscalabotes
Dit geslacht bevat slechts één soort, Aeluroscalabotes
felinus, welke twee ondersoorten bevat: A. f. felinus en
A. f.
multituberculatus. Deze Gekko wordt als de meest
primitieve nog
levende Gekko gezien. Dit slanke dier is bruin van kleur
en heeft
op de rug wat lichtbruine vlekken. De kop is vrij spits
van vorm
en de ogen zijn vrij groot. Sommige mensen vinden de
ogen van
dit dier lijken op kattenogen en daarom wordt dit dier
wel “cat
(eye) gekko” genoemd.
Het is een middelgrote soort (zo’n 200 cm.) die in de
bomen
van het Indonesisch en Maleisisch regenwoud vertoeft.
Het klimaat
in dit gebied is warm en vochtig, met twee keer per jaar
een regentijd.
Echt hoog in de bomen zul je dit diertje echter niet
tegenkomen
en daarom wordt hij ook wel als struikbewoner
bestempeld. In het
wild vindt je hem vooral in holtes in bomen en in
struiken.
Over het houden in gevangenschap is weinig bekend. Dit
is op
zich best opmerkelijk te noemen, omdat dit dier in zijn
leefgebied
vrij veel voorkomt en er uit deze gebieden veel dieren
geëxporteerd
worden. Je zou dus verwachten dat dit dier regelmatig in
de handel
te vinden is. Het tegendeel is echter waar. Je komt een
enkele
keer op een beurs een wildvangdier tegen (vaak bij
Duitse handelaren),
waarvoor dan een erg hoge prijs moet worden betaald. Zo
heb ik
zelf ooit eens een paartje gezien waarvoor € 280,-
betaald
moest worden. Dat was toch wel wat te hoog voor mijn
studentenbudget.
Mocht je dan een dier gevonden hebben, al dan niet tegen
een aanvaardbare
prijs, dan is hij niet zo ontzettend moeilijk houdbaar.
In een
hoog, vochtig terrarium met een temperatuur rond de 28
°C
voelt dit beestje zich prima thuis. Veel planten, wat
stukken
kurk en een wirwar van kleine takjes volstaan als
inrichting.
Als voer accepteert dit dier allerlei niet al te grote
insecten,
dus een standaard krekeldieet met de nodige vitamines
volstaat.
A. felinus wordt sporadisch nagekweekt, met name in de
VS. Omdat
de tropen weinig seizoenswisseling kennen, is een
winterrust niet
nodig. Je zou bepaalde periodes in het jaar wat meer
kunnen sproeien
om zo de regentijd na te bootsen. Kweekdata over dit
dier zijn
niet of nauwelijks bekend, maar aan de hand van de
klimatologische
gegevens van het leefgebied zal ik een gokje wagen. Ik
denk dat
de eieren een goede kans van uitkomen hebben als ze in
vochtig
substraat bij een temperatuur van tussen de 27 en 29 °C
worden
uitgebroed. Let wel, dit is puur mijn idee welke niet
gestoeld
is op ervaringen van mijzelf of van anderen!
Eublepharis
De Luipaardgekko, die tot dit geslacht behoort, is zo’n
beetje de meest gehouden hagedis en informatie over dit
dier is
er in overvloed. Eigenlijk is deze paragraaf dan
overbodig, zou
je zeggen. Aan de andere kant is het onlogisch en
slordig om in
een artikel over lidgekko’s de meest bekende soort over
te slaan. Laat ik dit het geslacht Eublepharis dus maar
de eer
geven die het toekomt.
Om de stelling “je bent nooit te oude om te leren”
kracht bij te zetten, zal ik deze paragraaf beginnen met
een beschrijving
van de onbekende soorten uit dit geslacht. Ja, u
begrijpt het
goed, onbekende luipaardgeko’s! De soort Eublepharis
macularius
kennen we allemaal, maar het geslacht Eublepharis kent
ook nog
een aantal andere soorten, die zo goed als onbekend
zijn. Het
probleem is dat deze verschillende soorten ontzettend op
elkaar
lijken, waardoor de verschillende soorten vaak op één
hoop gegooid worden onder de verzamelnaam
‘luipaardgekko’.
Een verhandeling over het exacte onderscheid tussen deze
soorten
zal ik jullie besparen omdat je daarvoor schubjes moet
gaan tellen;
niet echt interessant vind ik zelf. Alleen E. hardwickii
is eenvoudig
van de andere soorten te onderscheiden doordat deze twee
duidelijk
zichtbare, donkere dwarsbanden heeft bij de nek en aan
het begin
van de staart. Tevens is de tekening van een jong dier
gelijk
aan die van een volwassen dier; alle overige soorten
behouden
hun jeugdkleed niet.
In het boek van HENKEL, KNÖTHIG EN SCHMIDT (2000) worden
vier soorten onderscheiden: E. hardwickii, E.
angramainyu, E.
turcmenicus en E. macularius. De laatste soort kent
vervolgens
zes ondersoorten: E. m. macularius, E. m. afghanicus, E.
m. fascoliatus,
E. m. fuscus, E. m. smithi en E. m. montanus. Het
onderscheid
tussen deze ondersoorten is nog lastiger dan tussen de
soorten
en is eigenlijk alleen te bepalen als je de exacte
herkomst van
het dier weet. De populatie in gevangenschap zal dan ook
vermoedelijk
bestaan uit een mix van ondersoortkruisingen omdat
dieren uit
verschillende gebieden in de handel terechtgekomen zijn.
Het geslacht Eublepharis komt voor in zuiden van Azië. De verspreidingsgebieden van de verschillende soorten zijn behoorlijk van gescheiden waardoor de verschillende soorten niet in het zelfde verspreidingsgebied voorkomen. Onderstaand kaartje geeft de verschillende verspreidingsgebieden weer. Het klimaat in dit gebied wordt sterk beïnvloed door de seizoenen. De winters zijn relatief koel en vochtig, met temperaturen die soms tot onder het vriespunt zakken. De zomers zijn daarentegen warm en droog, met temperaturen die op kunnen lopen tot wel 45 °C. Het landschap kan het best getypeerd worden als grillig: het is een rotsachtig gebied met hier en daar wat groen.
Er is al veel bekend over het houden en het kweken van
de luipaardgekko,
daarom zal ik het kort houden. In gevangenschap komen we
eigenlijk
alleen E. macularius tegen. Omdat het leefgebied van de
overige
soorten erg overeenkomt met die van E. macularius,
zouden deze
soorten op dezelfde manier gehouden kunnen worden.
Hoewel het leefgebied van de luipaardgekko door extremen
gekenmerkt
wordt, hoeft dit in het terrarium niet nagebootst te
worden. Temperaturen
van 45 °C worden door de dieren zelf vermeden en het
heeft
dus geen zin deze temperaturen in het terrarium na te
bootsen.
Zo’n 28 °C is voldoende. Ook een winterrust bij
temperaturen
onder 0 is niet verstandig. Een koele zolder waar het
zo’n
15 °C wordt, is prima. Het terrarium kan eenvoudig
ingericht
worden met wat stukken lavasteen en wat stapeltjes
flagstones.
De kweek levert ook weinig problemen op; er is eigenlijk
geen
kunst aan. Desalniettemin is het wel ontzettend leuk om
met deze
soort te kweken. Door hun gedrag zijn de jongen in mijn
ogen gewoonweg
aandoenlijk. Geheel in tegenstelling tot volwassen
dieren, zijn
de jongen fel en ronduit agressief. Als je te dichtbij
komt, zetten
ze het op een krijsen en vallen ze fel aan. Echt indruk
maken
doen ze echter niet, omdat zulke kleine beestjes
natuurlijk weinig
uit kunnen richten. Af en toe eens een luipaardje pesten
is geen
zonde, maar maak er geen dagelijks ritueel van. Dat
krijsen doen
ze immers niet voor niets.
Maar om jonge luipaardgekko’s te krijgen, zul je eerst
eieren
moeten hebben. In principe is een winterrust niet nodig
om de
dieren tot voortplanting te brengen. Veel hobbyisten
raden het
echter wel aan omdat de dieren in de natuur wel een
winterrust
doormaken. Zelf heb ik het nooit gedaan en mijn dieren
hebben
het altijd prima gedaan. De reden dat ik het nooit
gedaan heb,
is overigens wel een grappige. Ik kwam er namelijk twee
jaren
achter elkaar achter dat, op het moment dat ik de
winterrust wilde
inlassen, de dieren al zwanger waren. Het derde jaar heb
ik er
toen maar vanaf gezien en tot op heden heb ik nog geen
narigheid
hiervan ondervonden.
Tot slot nog een bijzonder fenomeen bij het uitbroeden
van de
eieren. De eieren kunnen uitgebroed worden in een vrij
breed temperatuurbereik:
van 24 °C tot 33 °C. Het bijzondere is dat het geslacht
van de dieren beïnvloed wordt door de
incubatietemperatuur.
Dit fenomeen komt bij meerdere reptielen voor, vooral
bij schildpadden.
Bij temperaturen tussen 31,5 en 32,7 °C kruipen er
voornamelijk
mannelijke dieren uit het ei, bij temperaturen tussen de
24 en
26,7 °C voornamelijk vrouwelijke (KÖHLER, 2003). Voor
een evenredige geslachtsverdeling moet je de eieren
uitbroeden
bij een temperatuur van rond de 29 °C.
Voor veel liefhebbers zijn luipaardgekko’s geen uitdaging meer en veel ervaren hobbyisten laten ze daarom ook vaak links liggen. Zonde, vind ik! Het zijn gewoon erg leuke en makkelijk te houden dieren, die zelfs na jaren ervaring met het houden van reptielen boeiend, maar vooral leuk blijven. Laat ze dus maar lekker op de hobbykamer staan.
Hemitheconyx
Na de luipaardgekko is de vetstaartgekko (Hemitheconyx
caudicinctus)
de meest bekende lidgekko. Het geslacht Hemitheconyx
kent naast
H. caudicinctus nog een soort: H. taylori. Over deze
soort is
zo goed als niets bekend. Recentelijk heb ik echter op
een Nederlands
reptielenforum iemand gezien die deze dieren aanbood.
Ook in de
VS duikt hij zo nu en dan op. Wie weet, is er over een
aantal
jaar weer een dier dat door hobbyisten succesvol
gehouden en gekweekt
wordt. Stiekem hoop ik daar toch een beetje op, want het
is een
erg mooi dier om te zien.
H. caudicinctus is een dier dat ik al een tijdje in mijn collectie heb en dat zal voorlopig wel zo blijven. Het is namelijk een ontzettend leuk dier om in het terrarium te verzorgen. Hun slome, gezapige gedrag en hun trage, ontspannen levensstijl is iets waar wij westerlingen nog een hoop van kunnen leren. Dit dier lijkt zich echt nergens druk over te maken en gaat gewoon zijn gang, wat er ook om hem heen gebeurt. Al mijn terraria staan op mijn kamer, waar ook mijn stereo staat. Ik draai regelmatig op forse volumes maar dat schijn deze dieren niet te deren. Ook als er eens iemand langs het terrarium loopt, blikken of blozen ze niet. Veel mensen vragen dan of deze dieren nog wel leven.
H. caudicinctus komt voor in West-Afrika van Senegal
tot het
noorden van Kameroen. Hij bewoont daar droge
Savannegebieden.
Het klimaat in dit gebied kenmerkt zich door natte en
droge periodes.
In de droge periode is het tevens ook een stuk warmer.
De flora
en fauna stellen zich op deze periodes in. In de droge,
warme
tijd is het gebied een kale dorre vlakte waar de meeste
dieren
zich voor de hitte verschuilen. In de koelere, natte
periode bloeit
alles op en is er een overvloed aan leven te vinden. Ook
van H.
caudicinctus is bekend dat hij in de droge periode een
zomerrust
houdt.
H. caudicinctus is van alle lidgekko’s het meest
bodembewonend.
Hij bezit, anders dan de overige lidgekko’s, slechts
zeer
kleine nageltjes waardoor hij moeilijk kan klimmen. Ook
graven
doet deze gekko niet graag. Het liefst zoekt hij een
holletje
of een stuk schors op waar hij onder kan kruipen
Over de houdbaarheid in het terrarium lopen de meningen
uiteen.
De een zegt dat het een lastig houdbare en zeer moeilijk
te kweken
soort is, terwijl de andere ze zonder problemen houdt en
massaal
nakweekt. Ik zelf behoor tot die laatste categorie.
Vooral Amerikanen
hebben de grootste moeite om deze dieren te kweken. De
meest ingewikkelde
seizoensritmes worden nagebootst; geavanceerde
incubatiemethodes
worden ingezet en de meest ingenieuze
terrariuminrichtingen passeren
de revue. Ik houdt alles zo simpel mogelijk en heb
nergens problemen
mee. Ik wil absoluut niet beweren dat mijn manier de
beste is,
maar misschien geldt bij dit dier wel dat de eenvoudig
manier
ook de beste manier is.
Simpel gezegd houdt ik mijn vetstaartgekko’s ongeveer
hetzelfde
als mijn luipaardgekko’s, alleen houdt ik ze gedurende
het
hele jaar iets vochtiger. Het terrarium heb ik
voornamelijk met
houtstronken ingericht. Een drinkbakje en een bakje met
vochtig
turfmolm completeren het terrarium. Om de dieren tot
voortplanting
te brengen, doe ik niets bijzonders. Begin februari
begint het
mannetje het vrouwtje te versieren en een maand later
worden de
eerste eieren gelegd. Het vrouwtje legt 4 tot 6 legsels
per jaar,
welke ik bij een temperatuur van +/- 29 °C uitbroed.
Net zoals bij de luipaardgekko, is de
incubatietemperatuur van
invloed op het geslacht van de jongen. Volgens KÖHLER
(2003)
komen bij een incubatietemperatuur van 31,7 tot 32,2 °C
voornamelijk
mannelijke dieren uit het ei en bij temperaturen tussen
de 26,7
en 28,6 °C voornamelijk vrouwelijke dieren. De
geslachtsverdeling
bij mij is dus in het voordeel van de vrouwen. Voor het
opkweken
is dit wel prettig omdat meerdere vrouwen bij elkaar
gehouden
kunnen worden. Mannen zul je apart moeten opkweken. Het
bewust
spelen met de incubatietemperatuur om het geslacht van
de jongen
te bepalen, is misschien niet natuurlijk maar vaak wel
handig.
In deze paragraaf heb ik het voornamelijk over H. caudicinctus gehad. Ik zou graag ook wat meer verteld hebben over H. taylori, maar de nodige informatie ontbreekt daartoe. Het enige dat mij bekend is, is dat dit dier voorkomt in hooggelegen gebieden in Ethiopië. Hij bewoont daar droge rotsachtige steppegebieden en komt vermoedelijk samen met een andere lidgekko, Holodactylus africanus, voor. Mocht je ooit het geluk hebben dit dier aan je collectie toe te voegen dan is het, denk ik, een goede gok om hem op dezelfde manier als H. africanus te houden.
Holodactylus
Net zoals het geslacht Hemitheconyx bestaan het geslacht
Holodactylus
ook uit twee soorten. H. africanus is nog enigszins
bekend, maar
over H. cornii is helemaal niets bekend. Omdat in het
julinummer
van Het Terrarium een artikel van mijn hand verschenen
is over
deze soort, zal ik hier proberen zoveel mogelijk nieuwe
informatie
te geven.
Beide soorten komen voor op het Somalisch schiereiland
(Ethiopië,
Sopmalie, Kenia en het noorden van Tanzania). Het zijn
bewoners
van rotsachtige steppegebieden. Opvallend voor dit
gebied is dat
het er niet kurkdroog is; bij het woord steppe denk je
al gauw
aan warm en droog. De luchtvochtigheid blijft vrijwel
altijd boven
de 60% en in de maanden januari t/m april ligt deze
zelfs rond
de 70%. Deze periode is dan ook de regentijd. Ook zijn
de temperaturen
nooit echt extreem hoog en bij zo’n 28 °C vrijwel het
hele jaar gelijk. Dit stabiele, gematigde klimaat komt
doordat
het een schiereiland is. De koele zeelucht zorgt ervoor
dat de
temperaturen redelijk gematigd zijn en de lucht redelijk
vochtig
blijft.
Afbeelding: klimaat h. africanus.jpg. Ondertekst:
Klimaatgrafiek
van het leefgebied van Holodactylus africanus.
H. africanus is een klein blijvende gekko met een
opvallend dik
en kort staartje. De basiskleur is zwart met twee brede
grijze
dwarsbanden over de rug. Voor mensen die van actieve en
alerte
diertjes houden, is dit waarschijnlijk niet de juiste
keus. Overdag
verstoppen ze zich en zelfs ’s nachts zijn ze niet
altijd
te zien. Als ze wel te zien zijn, staan ze meestal stil
naar één
punt te staren. Weinig actie dus. Een tweede punt
waardoor deze
gekko misschien niet voor iedereen weggelegd is, is dat
aangeboden
dieren bijna altijd wildvangdieren in slechte conditie
zijn. De
laatste 2 jaar worden deze dieren regelmatig uit
Tanzania geïmporteerd.
Tanzania exporteert veel dieren, maar de kwaliteit
daarvan is
vaak erg slecht. Je moet echt geluk hebben om gezonde
dieren te
krijgen en zelfs dan zul je vaak nog problemen
tegenkomen. Zo
dacht ik drie gezonde dieren te hebben, maar ontdekte
een paar
dagen geleden dat mijn man een fikse oogontsteking
heeft. De behandeling
met een oogzalf lijkt gelukkig goed aan te slaan.
Ziektes zijn
bij deze dieren vaak lastig te ontdekken omdat je ze
gewoonweg
niet zoveel ziet. Ondanks dit alles zijn het erg fraaie
dieren
om te zien en heeft hun extreem relaxte gedrag ook wel
iets boeiends.
Als je gezonde dieren hebt, is de verzorging niet echt
ingewikkeld.
Een kleine bak met een mengsel van zand en turf/cocopeat
op de
bodem, ingericht met wat stenen of takken en een klein
spotje,
volstaat. Zorg er voor dat het niet al te warm wordt en
dat de
bak niet al te droog is. Daarom is het verstandig om
door het
zand een vochtvasthoudend substraat te mengen, zodat het
vocht
vastgehouden wordt. Een graad of 28 en elke avond een
beetje sproeien
zorgt voor een prima klimaat voor deze beestjes.
Over de kweek met deze dieren is weinig bekend. Via een
Amerikaans
internetforum kwam ik in contact met een Duitser (het
heet niet
voor niets het World Wide Web) die met deze soort
kweekt. Hij
gaf mij de volgende informatie door. Eind maart, na de
dieren
voor circa 4 weken vochtiger gehouden te hebben, begint
het mannetje
paarneigingen te vertonen. Als de vrouwtjes meewerken,
leggen
ze na ongeveer 3 weken de eerste eieren en volgen de
nakomende
legsels met tussenpozen van ongeveer 10 dagen. De eieren
worden
gelegd op een vochtige plek, dus een eilegbak met
vochtig substraat
is ideaal. De incubatietemperatuur moet niet te hoog
zijn, een
temperatuur tussen de 26-28 °C is voldoende. Bij deze
temperatuur
komen de jongen na circa 80 dagen uit het ei gekropen en
zijn
dan ongeveer 1 cm. groot. De opfok van de jongen kan
onder de
zelfde omstandigheden als waaronder men de ouderdieren
houdt.
Alleen een kleinere bak is wel handig als je de jongen
zo nu en
dan wilt kunnen terugvinden.
Goniurosaurus
Het geslacht Goniurosaurus is in mijn ogen het meest
fraaie geslacht
binnen de familie der Eublepharidae. Het geslacht als
zodanig
bestaat pas sinds 1981. daarvoor werden de toen bekende
soorten,
G. kuroiwae en G. lichtenfelderi, bij het geslacht
Eublepharis
ingedeeld. Pas in de jaren ’80 en ’90 zijn naast de
twee reeds bekende soorten 8 nieuwe soorten ontdekt. In
eerste
instantie werden een aantal soorten als ondersoorten van
G. kuroiwae
gezien en heeft de officiële wetenschappelijke
beschrijving
en naamgeving een tijdje op zich laten wachten. Zo
kweekte onze
voorzitter al met G. luii, nog voordat deze een
wetenschappelijke
naam had.
Inmiddels is het taxonomische getouwtrek zo’n beetje
uitgevochten
en kunnen we 10 soorten onderscheiden: G. luii, G.
araneus, G.
bawanglingensis, G. lichtenfelderi, G. hainanensis, G.
yamashinae,
G. orientalis, G. kuroiwae, G. toyamai en G. splendens.
Een aantal
van deze namen zijn echte bekkenbrekers. Dit is niet zo
verwonderlijk
als je bedenkt dat het geslacht Goniurosaurus voorkomt
in het
zuiden van China en Japan; de Aziatische tongval is voor
ons Europeanen
nu eenmaal niet zo eenvoudig.
Alle soorten zijn bewoners van het tropisch regenwoud.
Je moet
ze dus warm en vochtig houden… toch? Niet dus! Een
aantal
soorten bewonen hooggelegen regenwouden, ook wel
mistwouden genoemd.
De andere soorten bewonen een aantal zuidelijke Japanse
eilanden.
Beide biotopen zijn wel vochtig maar niet erg warm. Met
temperaturen
tot zo’n 26 °C heb je het wel gehad. Ook anders dan
in ‘standaard’ regenwouden is het wél aanwezig
zijn van een koelere periode met temperaturen van zo’n
18
°C. Als je hier even over nadenkt, dan moet je opvallen
dat
dit voor de verzorging in het terrarium voordelen biedt:
extra
verwarming is in de meeste gevallen niet nodig!
Het biotoop van deze dieren wordt verder gekenmerkt door
de aanwezigheid
van rotsen en kalksteen, wat voor de meeste regenwouden
niet gebruikelijk
is. Door dit aparte biotoop zou men nu kunnen gaan
denken dat
het lastige dieren zijn om in het terrarium te houden.
Het zijn
zeker niet de makkelijkst te houden dieren, maar echt
moeilijk
houdbaar zijn ze nu ook weer niet; althans als je
gezonde dieren
hebt. Dieren die sporadisch aangeboden worden, zijn vaak
wildvangdieren
en verkeren in slechte gezondheid.
Heb je gezonde dieren en houdt je een aantal zaken in
je achterhoofd,
zijn ze eigenlijk best wel goed te houden. Zoals al
eerder gezegd,
moet het in het terrarium niet te warm worden. Tijdens
de zomermaanden
kan dat op een reptielenzolder wel eens voor problemen
zorgen.
Een tip is om het terrarium van deze dieren dan onder in
je terrariumstelling
te zetten. Bij de vloer is de temperatuur altijd lager
dan hogerop
en het terrarium kan niet van onderen door lager
geplaatste bakken
verwarmd worden. Verder moet het terrarium redelijk
vochtig gehouden
worden, maar niet zeiknat (gooi deze dieren dus niet
samen met
gifkikkers in een paludarium!). Het probleem met
vochtige bakken
is dat schimmels en bacteriën er goed gedijen, waardoor
het
schoonhouden van de bak wat meer moeite kost. Het
terrarium kan
vervolgens ingericht worden met stukken kurk, takken,
lavastenen
en flagstones. Geef deze dieren ook wat klimgelegenheid
omdat
ze, ondanks dat het eigenlijk bodembewoners zijn,
regelmatig hoog
in de bak te vinden zijn.
Over de kweek met deze dieren is niet zo heel veel
bekend. De
informatie die er wel is, is vrij eenduidig. De meeste
kwekers
lassen gedurende 2 maanden een koelere periode in bij
zo’n
18 °C en verminderen de lichtduur van 14 naar 8 uur per
dag.
Er zijn ook kwekers die geen koelere periode inlassen en
er toch
succesvol mee kweken. Omdat deze dieren in principe
zonder extra
verwarming gehouden kunnen worden, zal de bak door de
lagere kamertemperatuur
in de winter vanzelf iets kouder worden. Op die manier
wordt zonder
extra moeite toch een koelere periode ingelast. De
incubatie van
de eieren gaat op de zelfde manier als bij andere
lidgekko’s,
alleen mag het niet te warm worden. Een
incubatietemperatuur tussen
de 25-27 °C is voldoende.
De taxonomie, biologie, verzorging en kweek van deze
dieren zijn
inmiddels kort besproken; tijd om het eens over de
dieren zelf
te hebben. De dieren uit dit geslacht vind ik
persoonlijk de mooiste
van alle lidgekko’s. De dieren kenmerken zich door hun
slanke
lichaam, hun lange, dunne pootjes en de fraai gekleurde
ogen.
Vooral de pootjes zijn opvallend. Aan de pootjes zitten
een vijftal
lange teentjes met scherpe nageltjes die hen houvast
geven op
ruwe ondergronden. Hierdoor klimmen ze gemakkelijk tegen
kurk,
hout of stenen op. Ook een wollen trui is geen probleem
voor ze.
Het is echter wat lastiger om de kleine dunne pootjes
van de trui
los te krijgen. Het kleurpatroon van alle soorten is
bijzonder
fraai te noemen. Alle dieren hebben een donkere
ondergrond, meestal
zwart of paarsachtig. Over de rug lopen vaak verticale
dwarsbanden
die fel van kleur zijn. Dit contrast zorgt voor het
opvallende
en fraaie uiterlijk van deze diertjes. Ook de kleur van
de ogen
valt onmiddellijk op. Deze is vaak ook fel van kleur,
waardoor
sommige mensen ze ‘eng’ vinden kijken.
Deze dieren zijn echter alles behalve eng. Ze hebben een
schuw
en zeer rustig karakter. Wel apart is dat, in plaats van
weg te
kruipen als er iemand aankomt, ze stokstijf blijven
staan en hun
begluurders nauwlettend in de gaten houden. Als je de
dieren oppakt,
zullen ze zelden proberen te bijten of trachten te
ontsnappen.
In plaats daarvan zullen ze je ‘bekruipen’ en als
je een wollen trui hebt, wens ik je succes met het
lospeuteren
van de pootjes. Na verloop van tijd verliezen de dieren
hun schuwheid
en worden ze redelijk tam.
Coleonyx
Het geslacht Coleonyx is het enige geslacht dat op het
Amerikaanse
continent voorkomt. Het verspreidingsgebied loopt van
het zuiden
van de VS tot in het noorden van Zuid-Amerika. Binnen
dit verspreidingsgebied
vinden we twee klimaat- en biotooptypes, namelijk een
steppeklimaat
(het zuiden van de VS) en een tropisch regenwoudklimaat
(Midden-Amerika
en het noorden van Zuid-Amerika). Voor de verzorging in
het terrarium
is het dus belangrijk te weten waar het dier vandaan
komt, zodat
je ze op een correcte wijze kunt houden. De volgende
dieren komen
uit de droge gebieden: C. brevis, C. fasciatus, C.
gypsicolus,
C. reticulatus, C. switaki en C. variegatus. De overige
twee soorten,
C. elegans en C. mitratus, vinden we in de vochtige
gebieden.
De soorten uit dit geslacht zijn, net zoals het geslacht Goniurosaurus, slank. Alleen hebben ze niet zulke lange, spinachtige poten als Goniurosaurus spp. dat hebben. Net zoals hun Aziatische familieleden mogen Coleonyx spp. ook graag wat rondklauteren, vooral de soorten die in de vochtige bossen voorkomen. Ook wat kleur betreft zijn de gekko’s uit dit geslacht bijzonder fraai. Een donkere achtergrond wordt afgewisseld met gele, bruine en zelfs oranje vlekken.
In het terrarium komen we deze Amerikaanse lidgekko’s
sporadisch
tegen C. mitratus wordt regelmatig geïmporteerd uit
Honduras.
C. elegans, C. variegatus en C. reticulatus worden bij
onze oosterburen
regelmatig nagekweekt. Over het algemeen zijn de soorten
die voorkomen
in de droge gebieden wat eenvoudiger te houden dan de
soorten
die uit vochtige gebieden komen. Een vochtig terrarium
brengt
een groter risico op schimmels en bacteriën met zich mee
en het schoonhouden is lastiger en kost meer tijd. Echt
moeilijk
houdbaar zijn ze eigenlijk geen van allen.
De soorten die voorkomen in de droge gebieden, kunnen op
dezelfde
wijze gehouden worden als de luipaardgekko. Een klein
terrarium
met zand op de bodem, wat schuilplaatsen en een
waterbakje is
een prima onderkomen voor deze dieren. Het is, zeker als
je met
deze dieren wilt kweken, wel aan te raden om een plek in
het terrarium
wat vochtiger te houden. De soorten die voorkomen in
vochtige
gebieden, C. elegans en C. mitratus, moeten als
vanzelfsprekend
vochtig (maar niet zeiknat!) gehouden worden. Ook moet
je bij
deze dieren uitkijken dat het niet te warm wordt;
temperaturen
boven de 30 °C dienen vermeden te worden! Het terrarium
kun
je inrichten met stukken kurk, takken en veel
(kunst)planten.
Het kweken met deze dieren vergt ook niet veel moeite.
De dieren
uit de droge gebieden hebben een winterrust nodig bij
zo’n
15 °C om in voortplantingsstemming te komen. Geef de
dieren
een vochtige eilegbak zodat ze hun eieren goed kwijt
kunnen. De
dieren uit vochtige gebieden hebben geen winterrust
nodig om tot
voortplanting te komen. Als stimulans zou je vaker
kunnen sproeien,
om zo de regentijd na te bootsen. De eieren van alle
soorten kunnen
uitgebroed worden bij 28-30 °C.
Tot Slot
In dit artikel zijn de 6 geslachten van de familie
Eublepharidae
de revue gepasseerd. Uiteraard is deze informatie bij
lange na
niet volledig. Dat is ook niet mijn bedoeling. De
bedoeling is
om deze interessante familie ‘voor te stellen’ en
de hobby kennis te laten maken met een groep hagedissen
die bijzonder
fraai zijn en over het algemeen goed in terraria te
houden zijn.
Informatie over de aparte soorten is er voldoende, maar
een artikel
of boek die de familie als geheel behandeld niet. Er is
overigens
wel een Duits boek in aantocht die deze familie als
geheel behandelt,
getiteld ‘Die Lidgecko’s’ van de bekende auteurs
YURI KAVERKIN en HERMANN SEUFER. Tot slot geef ik nog
een lijst
met boeken waarin informatie te vinden is over
verschillende soorten
lidgekko’s.
Literatuur
Eén boek waarin de lidgekko’s als groep behandeld
worden, is nog niet beschikbaar. Ik zelf zit al een
tijdje met
smart te wachten op het boek van KAVERKIN en SEUFER.
Voorlopig
blijf ik dat maar zo geduldig mogelijk doen. De volgende
literatuurlijst
bevat boeken en een website waarin één of meerdere
lidgekko’s behandeld worden. Helaas komen de meeste
boeken
niet veel verder dan de geslachten Coleonyx, Eublepharis
en Hemitheconyx.
- HERMANN SEUFER (1995): Keeping and
breeding
gecko’s. TFH Publications inc. ISBN: 0866222189.
- FRIEDRICH WILHELM HENKEL, KNÖTICH M., SCHMIDT W.
(2000):
Leopardgeckos. Natur und tier Verlag. Münster. ISBN:
393158738X.
- F. W. HENKEL, SCHMIDT. W. (2003): Praxisratgeber
Geckos. Edition
Chimaira. Frankfurt am Main. ISBN: 3930612712.
(aanrader, ook
in het Engels).
- GUNTHER KÖHLER (2003): Inkubation von Reptilieneiern.
Herpeton.
ISBN: 3980289265. (incubatiegegevens).
- HERBERT RÖSLER (1995): Geckos der Welt. Urania Verlag.
Leipzig. ISBN: 3332005499 (aanrader).
-
http://www.embl-heidelberg.de/~uetz/LivingReptiles.html (taxonomie)
