Lidgekko's

Categorie: Hagedissen

Auteur: Mark van IJzendoorn

De meest gehouden gekko, en misschien wel de meest gehouden hagedis, behoort tot de familie Eublepharidae, in gewoon Nederlands: Lidgekko’s. Deze naam hebben zij te danken aan het feit dat zij, anders dan alle andere gekko’s, beweegbare oogleden hebben. Een artikel over Luipaardgekko’s zou niets nieuws zijn; over dit dier is al veel geschreven. Over zijn familie daarentegen is vrij weinig bekend. Dat is jammer omdat veel familieleden leuke, fraaie en goed te houden terrariumdieren zijn. Met dit artikel hoop ik aan deze ‘kennislacune’ een einde te maken en een bijdrage te leveren aan de promotie van deze fantastische dieren.

Inleiding
Het artikel dat nu voor je ligt, is in een aantal opzichten anders dan je zou kunnen verwachten. Ten eerste is het lang en ten tweede gaat het niet in eerste instantie over het houden van beestje X. De meeste artikelen in terrariumtijdschriften gaan over het houden en kweken van een bepaald dier. Logisch, want daar draait onze hele hobby om. Het bespreken van de verzorging en kweek van álle lidgekkosoorten zou een te grote opgaaf zijn voor in dit boekje. Om toch een goede en volledige indruk van deze familie achter te laten, bespreek ik de 6 geslachten van deze groep gekko’s en zal daarbij ingaan op hun levenswijze in de natuur, de verzorging in het terrarium en de kweek.
Het zal de oplettende lezer opvallen dat bepaalde passages bekend voorkomen. Dit kan heel goed kloppen omdat de laatste tijd een aantal artikelen van mij zijn verschenen waarin één bepaalde lidgekko werd besproken. Ik heb geprobeerd om herhaling zo veel mogelijk te voorkomen, maar ik zal daar vast en zeker niet voor de volle honderd procent in geslaagd zijn.

Eublephariwattus?
Lidgekko’s onderscheiden zich van de andere gekko’s door hun bewegende oogleden. In principe is hiermee voldoende gezegd. Met deze wetenschap kun je immers probleemloos lidgekko’s van niet-lidgekko’s onderscheiden. Ik wil me er echter niet zo gemakkelijk van afmaken en daarom introduceer ik de lidgekko’s in dit artikel aan de hand van taxonomisch geneuzel. Gekko’s zijn, ondanks dat ze als huisdier ‘makkelijk’ zijn, voor wetenschappers helemaal niet zo eenvoudig. De systematiek van deze gekko’s is al jaren het strijdtoneel van biologen, herpetologen, taxonomen en andere deskundologen. Een eenduidige taxonomische indeling is dan ook niet te geven. Desondanks valt er in het woud van de taxonomische schema’s wel duidelijkheid te scheppen, wat ik dan ook zal trachten te doen.

Grofweg zijn er twee groepen van classificatieschema’s. De ene noem ik voor het gemak de eenvoudige indeling en de andere de gecompliceerde. Klinkt logisch. Om te beginnen de eenvoudige indeling: Deze gaat uit van één familie der Gekkonidae. Deze familie bestaat uit 3, dan wel 4 subfamilies, te weten de Eublepharinae (lidgekko’s), Diplodactylinae (Australische gekko’s), Gekkoninae (‘eigenlijke’ gekko’s) en Sphaerodactylinae. Deze laatste subfamilie wordt door sommige wetenschappers niet erkend en zij delen deze gekko’s bij de Gekkoninae in.
De familie der Gekkonidae wordt vervolgens onder de infraorde der Gekkonomorpha of Gekkota ingedeeld. Deze infraorde bevat naast de Gekkonidae dan nog een aantal andere families. Deze zusterfamilies blijken erg lastig te classificeren en met deze families is dan ook constant geschoven. De meest bekende kandidaten zijn de Pygopodidae, Dibamidae en de Xantusiidae.

Als u dit al ingewikkeld vindt, heb ik nog een verassing voor u: de gecompliceerde indeling. Deze indeling is een stuk uitgebreider dan de eerstgenoemde en komt ook wat onlogischer over. Waar de meeste auteurs het wel over eens zijn is het bestaan van de infraorde der Gekkonomorpha. Dalen we af naar de lagere taxa dan wordt het allemaal een stuk ingewikkelder. KLUGE (1967) verdeelt de Gekkonomorpha in twee superfamilies. De eerste superfamilie, de Eublepharoidea, zijn de lidgecko’s en de tweede superfamilie, de Gekkonoidea, de ‘normale’ Gekko’s. De Eublepharoidea bevat slechts één familie: de Eublepharidae. De Gekkonoidea bevat de overige twee families, de Pygopodidae en de Gekkonidae. Het eerste wat opvalt bij deze indeling is dat er niet één maar drie families zijn.
De infraorde en de superfamilies hebben we gehad en we dalen af naar het niveau van de families. Een aantal auteurs hadden moeite met de subfamilie status van de Eublepharinae. Gezien hun toch erg afwijkende lichaamsbouw maar vooral hun evolutie wordt deze groep tot familie verheven en heet dan ineens Eublepharidae.
Hiermee is de familieruzie echter nog niet compleet. De Australische Gekko’s (Diplodactylinae) vinden dat zij toch ook wel bijzonder zijn en zijn van mening dat zij een familiestatus i.p.v. een subfamiliestatus verdienen. De meeste wetenschappers kunnen zich hierin wel vinden maar hoe ze dan precies ingedeeld moeten worden, is weer onderwerp van discussie. Als eerste is er een discussie over de positie van de Pygopodidae, een hagedis die in het geheel niet op een gekko lijkt (hij heeft geeneens, of nauwelijks, pootjes!) en voorheen ook nooit als echte gekko gezien werd. Sommige wetenschappers stellen echter dat in een ver verleden de Pygopodidae en de Australische gekko’s (Diplodactylinae) een gezamelijke voorvader hadden. In een moderne classificatie zou dit betekenen dat er een familie der Pygopodidae gecreëerd zou moeten worden, die vervolgens uiteenvalt in twee subfamilies: de Pygopodinae en de Diplodactylinae. KLUGE (1967) was de eerste die met dit idee kwam, maar veel wetenschapper hebben er toch wel wat moeite mee. Omdat de Pygopodidae in het geheel niet op wat voor een gekko dan ook lijken, verbannen sommige auteurs de Pygopodidae uit gekkoland.
Gaan we een stapje lager en gaan we kijken naar de subfamilies, is het allemaal en stuk eenvoudiger. De Eublepharidae worden onderverdeeld in twee subfamilies, te weten de Aeluroscalabotinae en de Eublepharinae. De subfamilie Aeluroscalabotinae bevat slechts één soort, Aeluroscalabotes felinus. Wetenschappers zien deze gekko als de meest primitieve nog levende gekko.
De familie Pygopodidae bestaat, als we de indeling van Kluge aanhouden, ook uit twee subfamilies: de niet Pygopodinae en de Diplodactylinae. Vervolgens worden de Diplodactylinae onder verdeeld in twee ‘stammen’: de ‘primitievere’ Carphodactylini en de ‘modernere’ Diplodactylini.
De laatste familie, de Gekkonidae, wordt onderverdeeld in 2, dan wel 3, subfamilies. De eerste subfamilie is meteen de meest bekende: de Gekkoninae. Deze subfamilie is, om het zo maar te noemen, de nominaatfamilie. De ene auteur verdeelt deze subfamilie weer onder in twee stammen, te weten de Gekkonini en de Sphaerodactylini; andere auteurs verheffen de Sphaerodactilini tot een subfamilie, Sphaerodactylinae. Tot slot is er dan nog de subfamilie Teratoscincinae, die slechts één geslacht bevat, Teratoscincus. Vanwege de aparte huid en schedelstructuur is dit geslacht in een eigen subfamilie geplaatst. Er zijn taxonomen die vermoeden dat een aantal andere geslachten ook tot deze subfamilie behoren. Het geslacht Stenodactylus Behoort tot een van de kandidaten.

Ik heb getracht in zo weinig mogelijk woorden de hele discussie over de taxonomie van de gekko’s samen te vatten. Een aantal lezers zullen nu ongetwijfeld het spoor bijster zijn en zich afvragen: “hoe zit dat dan met die lidgekko’s?” Gelukkig is het ook mogelijk om lidgekko’s van niet-lidgekko’s te onderscheiden zonder in de jungle der wetenschap verdwaald te raken. Lidgekko’s zijn kortweg van niet-lidgekko’s te onderscheiden doordat ze beweegbare oogleden hebben. Als u nu begint te denken dat wetenschappers zaken vaak ingewikkelder maken in plaats van duidelijker, moet ik u bij deze gelijk geven. Om dit gecompliceerde verhaal toch nog enigszins begrijpelijk te maken, heb ik het in twee schema’s nog eens duidelijk weergegeven. In de rest van dit artikel zal ik de lidgekko’s als familie behandelen en gebruik ik dus de naam Eublepharidae.

Lidgekko's
Na deze uitweiding ga ik verder zoals ik dit artikel begonnen ben, namelijk met lidgekko’s. Zoals al eerder gesteld, onderscheiden lidgekko’s zich van andere gekko’s doordat ze beweegbare oogleden hebben. Echter lidgekko’s hebben ook een ander kenmerk dat hen van de andere gekko’s onderscheidt. Ze leggen allemaal zachtschalige eieren. Deze eieren dienen dan ook anders uitgebroed te worden dan de eieren van andere gekko’s, namelijk in een vochtig substraat en met een hoge luchtvochtigheid. Hardschalige eieren hebben soms wel een hoge luchtvochtigheid nodig (eieren van gekko’s die uit vochtige gebieden komen) maar het substraat mag eigenlijk nooit echt vochtig zijn. Een au bain-marie broedstoof met een vochtvasthoudend substraat als vermiculiet, perliet, turfmolm, o.i.d. doet bij zachtschalige lidgekko-eieren prima dienst. Het artikel van M. ERNST en I. VAN DIJSEN in Het Terrarium van maart 2002 beschrijft hoe je een dergelijke broedstoof eenvoudig en goedkoop kunt maken. Alle lidgekko-eieren kunnen zo’n beetje op dezelfde manier worden uitgebroed. Het enige dat verschilt, is de incubatietemperatuur.

Naast de twee zojuist genoemde eigenschappen die lidgekko’s onderscheiden van de andere gekko’s, hebben lidgekko’s ook nog een aantal opvallende kenmerken gemeenschappelijk. Het eerste kenmerk is dat, met uitzondering van Aeluroscalabotes felinus, alle lidgekko’s bodembewonend zijn. Dit houdt niet in dat ze alleen op de bodem zouden kruipen. Goniurosaurus spp. En Coleonyx spp. Klimmen ook regelmatig in struiken of op stenen. Echt hoger dan een meter komen ze niet en echt gladde, verticale oppervlakten worden niet beklommen.
Het tweede kenmerk is dat lidgekko’s zindelijk lijken te zijn zijn. Ze hebben de handige gewoonte om hun behoefte te doen in een hoek van het terrarium. Deze hoek moet het liefst wat hoger liggen en wat vochtiger zijn dan de rest van het terrarium. Een stuk steen in een vochtige hoek doet prima dienst als toilet. Waarom deze dieren dit doen, is onduidelijk. Het zou te maken kunnen hebben met territoriumvorming of vanuit hygiënische redenen. Lidgekko’s blijven in de natuur meestal op dezelfde plek en maken geen verre reizen. Als ze hun uitwerpselen dan maar overal zouden laten slingeren, zouden ze op den duur door hun eigen vuil banjeren. Voor het baasje is het in ieder geval erg handig bij het schoonmaken: een keer in de week de poephoek uitkuisen en klaar!
Een laatste interessante wetenswaardigheid is dat het verspreidingsgebied van lidgekko’s niet geografisch beperkt is. Vaak is het zo dat dieren die eenzelfde evolutionair pad bewandeld hebben, redelijk dicht bij elkaar voorkomen. Lidgekko’s hebben zich echter over de wereld verspreid en komen voor in Afrika (Hemitheconyx, Holodactylus), Azië (Aeluroscalabotes, Goniurosaurus, Eublepharis) en Amerika (Coleonyx). Ze bewonen daar ook verschillende habitats, variërend van droge steppes tot het tropisch regenwoud. Lidgekko’s zijn, ondanks dat ze toch allemaal tot dezelfde familie behoren, een diverse groep dieren. Dit tezamen met het gegeven dat vrijwel alle soorten redelijk eenvoudig in het terrarium te verzorgen zijn, maakt deze gekko’s erg leuke terrariumbewoners. Jammer is alleen dat slechts een paar soorten regelmatig in terraria gehouden worden.

Ondanks het feit dat de lidgekko’s over de hele wereld verspreid voorkomen en allemaal een vergelijkbare levenswijze hebben, zijn ze, wat betreft de verzorging in het terrarium, in grofweg twee groepen in te delen. De eerste groep bevat dieren die uit droge gebieden komen, de tweede groep uit dieren die uit vochtige gebieden komen. Binnen de twee groepen kunnen de soorten grofweg op dezelfde wijze gehouden worden. Voor de lidgekkofanaat is dit erg prettig omdat je dan niet zes verschillende biotopen hoeft na te bootsen.

De soorten
In het volgende gedeelte van dit artikel zal ik de zes geslachten bespreken. Ik zal daarbij ingaan op hun levenswijze in de natuur, het houden in het terrarium en de kweek. Ik heb geprobeerd de informatie kort en bondig, maar wel compleet te houden.

Aeluroscalabotes
Dit geslacht bevat slechts één soort, Aeluroscalabotes felinus, welke twee ondersoorten bevat: A. f. felinus en A. f. multituberculatus. Deze Gekko wordt als de meest primitieve nog levende Gekko gezien. Dit slanke dier is bruin van kleur en heeft op de rug wat lichtbruine vlekken. De kop is vrij spits van vorm en de ogen zijn vrij groot. Sommige mensen vinden de ogen van dit dier lijken op kattenogen en daarom wordt dit dier wel “cat (eye) gekko” genoemd.
Het is een middelgrote soort (zo’n 200 cm.) die in de bomen van het Indonesisch en Maleisisch regenwoud vertoeft. Het klimaat in dit gebied is warm en vochtig, met twee keer per jaar een regentijd. Echt hoog in de bomen zul je dit diertje echter niet tegenkomen en daarom wordt hij ook wel als struikbewoner bestempeld. In het wild vindt je hem vooral in holtes in bomen en in struiken.

Over het houden in gevangenschap is weinig bekend. Dit is op zich best opmerkelijk te noemen, omdat dit dier in zijn leefgebied vrij veel voorkomt en er uit deze gebieden veel dieren geëxporteerd worden. Je zou dus verwachten dat dit dier regelmatig in de handel te vinden is. Het tegendeel is echter waar. Je komt een enkele keer op een beurs een wildvangdier tegen (vaak bij Duitse handelaren), waarvoor dan een erg hoge prijs moet worden betaald. Zo heb ik zelf ooit eens een paartje gezien waarvoor € 280,- betaald moest worden. Dat was toch wel wat te hoog voor mijn studentenbudget.
Mocht je dan een dier gevonden hebben, al dan niet tegen een aanvaardbare prijs, dan is hij niet zo ontzettend moeilijk houdbaar. In een hoog, vochtig terrarium met een temperatuur rond de 28 °C voelt dit beestje zich prima thuis. Veel planten, wat stukken kurk en een wirwar van kleine takjes volstaan als inrichting. Als voer accepteert dit dier allerlei niet al te grote insecten, dus een standaard krekeldieet met de nodige vitamines volstaat.
A. felinus wordt sporadisch nagekweekt, met name in de VS. Omdat de tropen weinig seizoenswisseling kennen, is een winterrust niet nodig. Je zou bepaalde periodes in het jaar wat meer kunnen sproeien om zo de regentijd na te bootsen. Kweekdata over dit dier zijn niet of nauwelijks bekend, maar aan de hand van de klimatologische gegevens van het leefgebied zal ik een gokje wagen. Ik denk dat de eieren een goede kans van uitkomen hebben als ze in vochtig substraat bij een temperatuur van tussen de 27 en 29 °C worden uitgebroed. Let wel, dit is puur mijn idee welke niet gestoeld is op ervaringen van mijzelf of van anderen!

Eublepharis
De Luipaardgekko, die tot dit geslacht behoort, is zo’n beetje de meest gehouden hagedis en informatie over dit dier is er in overvloed. Eigenlijk is deze paragraaf dan overbodig, zou je zeggen. Aan de andere kant is het onlogisch en slordig om in een artikel over lidgekko’s de meest bekende soort over te slaan. Laat ik dit het geslacht Eublepharis dus maar de eer geven die het toekomt.

Om de stelling “je bent nooit te oude om te leren” kracht bij te zetten, zal ik deze paragraaf beginnen met een beschrijving van de onbekende soorten uit dit geslacht. Ja, u begrijpt het goed, onbekende luipaardgeko’s! De soort Eublepharis macularius kennen we allemaal, maar het geslacht Eublepharis kent ook nog een aantal andere soorten, die zo goed als onbekend zijn. Het probleem is dat deze verschillende soorten ontzettend op elkaar lijken, waardoor de verschillende soorten vaak op één hoop gegooid worden onder de verzamelnaam ‘luipaardgekko’. Een verhandeling over het exacte onderscheid tussen deze soorten zal ik jullie besparen omdat je daarvoor schubjes moet gaan tellen; niet echt interessant vind ik zelf. Alleen E. hardwickii is eenvoudig van de andere soorten te onderscheiden doordat deze twee duidelijk zichtbare, donkere dwarsbanden heeft bij de nek en aan het begin van de staart. Tevens is de tekening van een jong dier gelijk aan die van een volwassen dier; alle overige soorten behouden hun jeugdkleed niet.
In het boek van HENKEL, KNÖTHIG EN SCHMIDT (2000) worden vier soorten onderscheiden: E. hardwickii, E. angramainyu, E. turcmenicus en E. macularius. De laatste soort kent vervolgens zes ondersoorten: E. m. macularius, E. m. afghanicus, E. m. fascoliatus, E. m. fuscus, E. m. smithi en E. m. montanus. Het onderscheid tussen deze ondersoorten is nog lastiger dan tussen de soorten en is eigenlijk alleen te bepalen als je de exacte herkomst van het dier weet. De populatie in gevangenschap zal dan ook vermoedelijk bestaan uit een mix van ondersoortkruisingen omdat dieren uit verschillende gebieden in de handel terechtgekomen zijn.

Het geslacht Eublepharis komt voor in zuiden van Azië. De verspreidingsgebieden van de verschillende soorten zijn behoorlijk van gescheiden waardoor de verschillende soorten niet in het zelfde verspreidingsgebied voorkomen. Onderstaand kaartje geeft de verschillende verspreidingsgebieden weer. Het klimaat in dit gebied wordt sterk beïnvloed door de seizoenen. De winters zijn relatief koel en vochtig, met temperaturen die soms tot onder het vriespunt zakken. De zomers zijn daarentegen warm en droog, met temperaturen die op kunnen lopen tot wel 45 °C. Het landschap kan het best getypeerd worden als grillig: het is een rotsachtig gebied met hier en daar wat groen.

Er is al veel bekend over het houden en het kweken van de luipaardgekko, daarom zal ik het kort houden. In gevangenschap komen we eigenlijk alleen E. macularius tegen. Omdat het leefgebied van de overige soorten erg overeenkomt met die van E. macularius, zouden deze soorten op dezelfde manier gehouden kunnen worden.
Hoewel het leefgebied van de luipaardgekko door extremen gekenmerkt wordt, hoeft dit in het terrarium niet nagebootst te worden. Temperaturen van 45 °C worden door de dieren zelf vermeden en het heeft dus geen zin deze temperaturen in het terrarium na te bootsen. Zo’n 28 °C is voldoende. Ook een winterrust bij temperaturen onder 0 is niet verstandig. Een koele zolder waar het zo’n 15 °C wordt, is prima. Het terrarium kan eenvoudig ingericht worden met wat stukken lavasteen en wat stapeltjes flagstones.
De kweek levert ook weinig problemen op; er is eigenlijk geen kunst aan. Desalniettemin is het wel ontzettend leuk om met deze soort te kweken. Door hun gedrag zijn de jongen in mijn ogen gewoonweg aandoenlijk. Geheel in tegenstelling tot volwassen dieren, zijn de jongen fel en ronduit agressief. Als je te dichtbij komt, zetten ze het op een krijsen en vallen ze fel aan. Echt indruk maken doen ze echter niet, omdat zulke kleine beestjes natuurlijk weinig uit kunnen richten. Af en toe eens een luipaardje pesten is geen zonde, maar maak er geen dagelijks ritueel van. Dat krijsen doen ze immers niet voor niets.
Maar om jonge luipaardgekko’s te krijgen, zul je eerst eieren moeten hebben. In principe is een winterrust niet nodig om de dieren tot voortplanting te brengen. Veel hobbyisten raden het echter wel aan omdat de dieren in de natuur wel een winterrust doormaken. Zelf heb ik het nooit gedaan en mijn dieren hebben het altijd prima gedaan. De reden dat ik het nooit gedaan heb, is overigens wel een grappige. Ik kwam er namelijk twee jaren achter elkaar achter dat, op het moment dat ik de winterrust wilde inlassen, de dieren al zwanger waren. Het derde jaar heb ik er toen maar vanaf gezien en tot op heden heb ik nog geen narigheid hiervan ondervonden.
Tot slot nog een bijzonder fenomeen bij het uitbroeden van de eieren. De eieren kunnen uitgebroed worden in een vrij breed temperatuurbereik: van 24 °C tot 33 °C. Het bijzondere is dat het geslacht van de dieren beïnvloed wordt door de incubatietemperatuur. Dit fenomeen komt bij meerdere reptielen voor, vooral bij schildpadden. Bij temperaturen tussen 31,5 en 32,7 °C kruipen er voornamelijk mannelijke dieren uit het ei, bij temperaturen tussen de 24 en 26,7 °C voornamelijk vrouwelijke (KÖHLER, 2003). Voor een evenredige geslachtsverdeling moet je de eieren uitbroeden bij een temperatuur van rond de 29 °C.

Voor veel liefhebbers zijn luipaardgekko’s geen uitdaging meer en veel ervaren hobbyisten laten ze daarom ook vaak links liggen. Zonde, vind ik! Het zijn gewoon erg leuke en makkelijk te houden dieren, die zelfs na jaren ervaring met het houden van reptielen boeiend, maar vooral leuk blijven. Laat ze dus maar lekker op de hobbykamer staan.

Hemitheconyx
Na de luipaardgekko is de vetstaartgekko (Hemitheconyx caudicinctus) de meest bekende lidgekko. Het geslacht Hemitheconyx kent naast H. caudicinctus nog een soort: H. taylori. Over deze soort is zo goed als niets bekend. Recentelijk heb ik echter op een Nederlands reptielenforum iemand gezien die deze dieren aanbood. Ook in de VS duikt hij zo nu en dan op. Wie weet, is er over een aantal jaar weer een dier dat door hobbyisten succesvol gehouden en gekweekt wordt. Stiekem hoop ik daar toch een beetje op, want het is een erg mooi dier om te zien.

H. caudicinctus is een dier dat ik al een tijdje in mijn collectie heb en dat zal voorlopig wel zo blijven. Het is namelijk een ontzettend leuk dier om in het terrarium te verzorgen. Hun slome, gezapige gedrag en hun trage, ontspannen levensstijl is iets waar wij westerlingen nog een hoop van kunnen leren. Dit dier lijkt zich echt nergens druk over te maken en gaat gewoon zijn gang, wat er ook om hem heen gebeurt. Al mijn terraria staan op mijn kamer, waar ook mijn stereo staat. Ik draai regelmatig op forse volumes maar dat schijn deze dieren niet te deren. Ook als er eens iemand langs het terrarium loopt, blikken of blozen ze niet. Veel mensen vragen dan of deze dieren nog wel leven.

H. caudicinctus komt voor in West-Afrika van Senegal tot het noorden van Kameroen. Hij bewoont daar droge Savannegebieden. Het klimaat in dit gebied kenmerkt zich door natte en droge periodes. In de droge periode is het tevens ook een stuk warmer. De flora en fauna stellen zich op deze periodes in. In de droge, warme tijd is het gebied een kale dorre vlakte waar de meeste dieren zich voor de hitte verschuilen. In de koelere, natte periode bloeit alles op en is er een overvloed aan leven te vinden. Ook van H. caudicinctus is bekend dat hij in de droge periode een zomerrust houdt.
H. caudicinctus is van alle lidgekko’s het meest bodembewonend. Hij bezit, anders dan de overige lidgekko’s, slechts zeer kleine nageltjes waardoor hij moeilijk kan klimmen. Ook graven doet deze gekko niet graag. Het liefst zoekt hij een holletje of een stuk schors op waar hij onder kan kruipen

Over de houdbaarheid in het terrarium lopen de meningen uiteen. De een zegt dat het een lastig houdbare en zeer moeilijk te kweken soort is, terwijl de andere ze zonder problemen houdt en massaal nakweekt. Ik zelf behoor tot die laatste categorie. Vooral Amerikanen hebben de grootste moeite om deze dieren te kweken. De meest ingewikkelde seizoensritmes worden nagebootst; geavanceerde incubatiemethodes worden ingezet en de meest ingenieuze terrariuminrichtingen passeren de revue. Ik houdt alles zo simpel mogelijk en heb nergens problemen mee. Ik wil absoluut niet beweren dat mijn manier de beste is, maar misschien geldt bij dit dier wel dat de eenvoudig manier ook de beste manier is.
Simpel gezegd houdt ik mijn vetstaartgekko’s ongeveer hetzelfde als mijn luipaardgekko’s, alleen houdt ik ze gedurende het hele jaar iets vochtiger. Het terrarium heb ik voornamelijk met houtstronken ingericht. Een drinkbakje en een bakje met vochtig turfmolm completeren het terrarium. Om de dieren tot voortplanting te brengen, doe ik niets bijzonders. Begin februari begint het mannetje het vrouwtje te versieren en een maand later worden de eerste eieren gelegd. Het vrouwtje legt 4 tot 6 legsels per jaar, welke ik bij een temperatuur van +/- 29 °C uitbroed.
Net zoals bij de luipaardgekko, is de incubatietemperatuur van invloed op het geslacht van de jongen. Volgens KÖHLER (2003) komen bij een incubatietemperatuur van 31,7 tot 32,2 °C voornamelijk mannelijke dieren uit het ei en bij temperaturen tussen de 26,7 en 28,6 °C voornamelijk vrouwelijke dieren. De geslachtsverdeling bij mij is dus in het voordeel van de vrouwen. Voor het opkweken is dit wel prettig omdat meerdere vrouwen bij elkaar gehouden kunnen worden. Mannen zul je apart moeten opkweken. Het bewust spelen met de incubatietemperatuur om het geslacht van de jongen te bepalen, is misschien niet natuurlijk maar vaak wel handig.

In deze paragraaf heb ik het voornamelijk over H. caudicinctus gehad. Ik zou graag ook wat meer verteld hebben over H. taylori, maar de nodige informatie ontbreekt daartoe. Het enige dat mij bekend is, is dat dit dier voorkomt in hooggelegen gebieden in Ethiopië. Hij bewoont daar droge rotsachtige steppegebieden en komt vermoedelijk samen met een andere lidgekko, Holodactylus africanus, voor. Mocht je ooit het geluk hebben dit dier aan je collectie toe te voegen dan is het, denk ik, een goede gok om hem op dezelfde manier als H. africanus te houden.

Holodactylus
Net zoals het geslacht Hemitheconyx bestaan het geslacht Holodactylus ook uit twee soorten. H. africanus is nog enigszins bekend, maar over H. cornii is helemaal niets bekend. Omdat in het julinummer van Het Terrarium een artikel van mijn hand verschenen is over deze soort, zal ik hier proberen zoveel mogelijk nieuwe informatie te geven.

Beide soorten komen voor op het Somalisch schiereiland (Ethiopië, Sopmalie, Kenia en het noorden van Tanzania). Het zijn bewoners van rotsachtige steppegebieden. Opvallend voor dit gebied is dat het er niet kurkdroog is; bij het woord steppe denk je al gauw aan warm en droog. De luchtvochtigheid blijft vrijwel altijd boven de 60% en in de maanden januari t/m april ligt deze zelfs rond de 70%. Deze periode is dan ook de regentijd. Ook zijn de temperaturen nooit echt extreem hoog en bij zo’n 28 °C vrijwel het hele jaar gelijk. Dit stabiele, gematigde klimaat komt doordat het een schiereiland is. De koele zeelucht zorgt ervoor dat de temperaturen redelijk gematigd zijn en de lucht redelijk vochtig blijft.
Afbeelding: klimaat h. africanus.jpg. Ondertekst: Klimaatgrafiek van het leefgebied van Holodactylus africanus.
H. africanus is een klein blijvende gekko met een opvallend dik en kort staartje. De basiskleur is zwart met twee brede grijze dwarsbanden over de rug. Voor mensen die van actieve en alerte diertjes houden, is dit waarschijnlijk niet de juiste keus. Overdag verstoppen ze zich en zelfs ’s nachts zijn ze niet altijd te zien. Als ze wel te zien zijn, staan ze meestal stil naar één punt te staren. Weinig actie dus. Een tweede punt waardoor deze gekko misschien niet voor iedereen weggelegd is, is dat aangeboden dieren bijna altijd wildvangdieren in slechte conditie zijn. De laatste 2 jaar worden deze dieren regelmatig uit Tanzania geïmporteerd. Tanzania exporteert veel dieren, maar de kwaliteit daarvan is vaak erg slecht. Je moet echt geluk hebben om gezonde dieren te krijgen en zelfs dan zul je vaak nog problemen tegenkomen. Zo dacht ik drie gezonde dieren te hebben, maar ontdekte een paar dagen geleden dat mijn man een fikse oogontsteking heeft. De behandeling met een oogzalf lijkt gelukkig goed aan te slaan. Ziektes zijn bij deze dieren vaak lastig te ontdekken omdat je ze gewoonweg niet zoveel ziet. Ondanks dit alles zijn het erg fraaie dieren om te zien en heeft hun extreem relaxte gedrag ook wel iets boeiends.

Als je gezonde dieren hebt, is de verzorging niet echt ingewikkeld. Een kleine bak met een mengsel van zand en turf/cocopeat op de bodem, ingericht met wat stenen of takken en een klein spotje, volstaat. Zorg er voor dat het niet al te warm wordt en dat de bak niet al te droog is. Daarom is het verstandig om door het zand een vochtvasthoudend substraat te mengen, zodat het vocht vastgehouden wordt. Een graad of 28 en elke avond een beetje sproeien zorgt voor een prima klimaat voor deze beestjes.
Over de kweek met deze dieren is weinig bekend. Via een Amerikaans internetforum kwam ik in contact met een Duitser (het heet niet voor niets het World Wide Web) die met deze soort kweekt. Hij gaf mij de volgende informatie door. Eind maart, na de dieren voor circa 4 weken vochtiger gehouden te hebben, begint het mannetje paarneigingen te vertonen. Als de vrouwtjes meewerken, leggen ze na ongeveer 3 weken de eerste eieren en volgen de nakomende legsels met tussenpozen van ongeveer 10 dagen. De eieren worden gelegd op een vochtige plek, dus een eilegbak met vochtig substraat is ideaal. De incubatietemperatuur moet niet te hoog zijn, een temperatuur tussen de 26-28 °C is voldoende. Bij deze temperatuur komen de jongen na circa 80 dagen uit het ei gekropen en zijn dan ongeveer 1 cm. groot. De opfok van de jongen kan onder de zelfde omstandigheden als waaronder men de ouderdieren houdt. Alleen een kleinere bak is wel handig als je de jongen zo nu en dan wilt kunnen terugvinden.

Goniurosaurus
Het geslacht Goniurosaurus is in mijn ogen het meest fraaie geslacht binnen de familie der Eublepharidae. Het geslacht als zodanig bestaat pas sinds 1981. daarvoor werden de toen bekende soorten, G. kuroiwae en G. lichtenfelderi, bij het geslacht Eublepharis ingedeeld. Pas in de jaren ’80 en ’90 zijn naast de twee reeds bekende soorten 8 nieuwe soorten ontdekt. In eerste instantie werden een aantal soorten als ondersoorten van G. kuroiwae gezien en heeft de officiële wetenschappelijke beschrijving en naamgeving een tijdje op zich laten wachten. Zo kweekte onze voorzitter al met G. luii, nog voordat deze een wetenschappelijke naam had.
Inmiddels is het taxonomische getouwtrek zo’n beetje uitgevochten en kunnen we 10 soorten onderscheiden: G. luii, G. araneus, G. bawanglingensis, G. lichtenfelderi, G. hainanensis, G. yamashinae, G. orientalis, G. kuroiwae, G. toyamai en G. splendens. Een aantal van deze namen zijn echte bekkenbrekers. Dit is niet zo verwonderlijk als je bedenkt dat het geslacht Goniurosaurus voorkomt in het zuiden van China en Japan; de Aziatische tongval is voor ons Europeanen nu eenmaal niet zo eenvoudig.

Alle soorten zijn bewoners van het tropisch regenwoud. Je moet ze dus warm en vochtig houden… toch? Niet dus! Een aantal soorten bewonen hooggelegen regenwouden, ook wel mistwouden genoemd. De andere soorten bewonen een aantal zuidelijke Japanse eilanden. Beide biotopen zijn wel vochtig maar niet erg warm. Met temperaturen tot zo’n 26 °C heb je het wel gehad. Ook anders dan in ‘standaard’ regenwouden is het wél aanwezig zijn van een koelere periode met temperaturen van zo’n 18 °C. Als je hier even over nadenkt, dan moet je opvallen dat dit voor de verzorging in het terrarium voordelen biedt: extra verwarming is in de meeste gevallen niet nodig!
Het biotoop van deze dieren wordt verder gekenmerkt door de aanwezigheid van rotsen en kalksteen, wat voor de meeste regenwouden niet gebruikelijk is. Door dit aparte biotoop zou men nu kunnen gaan denken dat het lastige dieren zijn om in het terrarium te houden. Het zijn zeker niet de makkelijkst te houden dieren, maar echt moeilijk houdbaar zijn ze nu ook weer niet; althans als je gezonde dieren hebt. Dieren die sporadisch aangeboden worden, zijn vaak wildvangdieren en verkeren in slechte gezondheid.

Heb je gezonde dieren en houdt je een aantal zaken in je achterhoofd, zijn ze eigenlijk best wel goed te houden. Zoals al eerder gezegd, moet het in het terrarium niet te warm worden. Tijdens de zomermaanden kan dat op een reptielenzolder wel eens voor problemen zorgen. Een tip is om het terrarium van deze dieren dan onder in je terrariumstelling te zetten. Bij de vloer is de temperatuur altijd lager dan hogerop en het terrarium kan niet van onderen door lager geplaatste bakken verwarmd worden. Verder moet het terrarium redelijk vochtig gehouden worden, maar niet zeiknat (gooi deze dieren dus niet samen met gifkikkers in een paludarium!). Het probleem met vochtige bakken is dat schimmels en bacteriën er goed gedijen, waardoor het schoonhouden van de bak wat meer moeite kost. Het terrarium kan vervolgens ingericht worden met stukken kurk, takken, lavastenen en flagstones. Geef deze dieren ook wat klimgelegenheid omdat ze, ondanks dat het eigenlijk bodembewoners zijn, regelmatig hoog in de bak te vinden zijn.
Over de kweek met deze dieren is niet zo heel veel bekend. De informatie die er wel is, is vrij eenduidig. De meeste kwekers lassen gedurende 2 maanden een koelere periode in bij zo’n 18 °C en verminderen de lichtduur van 14 naar 8 uur per dag. Er zijn ook kwekers die geen koelere periode inlassen en er toch succesvol mee kweken. Omdat deze dieren in principe zonder extra verwarming gehouden kunnen worden, zal de bak door de lagere kamertemperatuur in de winter vanzelf iets kouder worden. Op die manier wordt zonder extra moeite toch een koelere periode ingelast. De incubatie van de eieren gaat op de zelfde manier als bij andere lidgekko’s, alleen mag het niet te warm worden. Een incubatietemperatuur tussen de 25-27 °C is voldoende.

De taxonomie, biologie, verzorging en kweek van deze dieren zijn inmiddels kort besproken; tijd om het eens over de dieren zelf te hebben. De dieren uit dit geslacht vind ik persoonlijk de mooiste van alle lidgekko’s. De dieren kenmerken zich door hun slanke lichaam, hun lange, dunne pootjes en de fraai gekleurde ogen. Vooral de pootjes zijn opvallend. Aan de pootjes zitten een vijftal lange teentjes met scherpe nageltjes die hen houvast geven op ruwe ondergronden. Hierdoor klimmen ze gemakkelijk tegen kurk, hout of stenen op. Ook een wollen trui is geen probleem voor ze. Het is echter wat lastiger om de kleine dunne pootjes van de trui los te krijgen. Het kleurpatroon van alle soorten is bijzonder fraai te noemen. Alle dieren hebben een donkere ondergrond, meestal zwart of paarsachtig. Over de rug lopen vaak verticale dwarsbanden die fel van kleur zijn. Dit contrast zorgt voor het opvallende en fraaie uiterlijk van deze diertjes. Ook de kleur van de ogen valt onmiddellijk op. Deze is vaak ook fel van kleur, waardoor sommige mensen ze ‘eng’ vinden kijken.
Deze dieren zijn echter alles behalve eng. Ze hebben een schuw en zeer rustig karakter. Wel apart is dat, in plaats van weg te kruipen als er iemand aankomt, ze stokstijf blijven staan en hun begluurders nauwlettend in de gaten houden. Als je de dieren oppakt, zullen ze zelden proberen te bijten of trachten te ontsnappen. In plaats daarvan zullen ze je ‘bekruipen’ en als je een wollen trui hebt, wens ik je succes met het lospeuteren van de pootjes. Na verloop van tijd verliezen de dieren hun schuwheid en worden ze redelijk tam.

Coleonyx
Het geslacht Coleonyx is het enige geslacht dat op het Amerikaanse continent voorkomt. Het verspreidingsgebied loopt van het zuiden van de VS tot in het noorden van Zuid-Amerika. Binnen dit verspreidingsgebied vinden we twee klimaat- en biotooptypes, namelijk een steppeklimaat (het zuiden van de VS) en een tropisch regenwoudklimaat (Midden-Amerika en het noorden van Zuid-Amerika). Voor de verzorging in het terrarium is het dus belangrijk te weten waar het dier vandaan komt, zodat je ze op een correcte wijze kunt houden. De volgende dieren komen uit de droge gebieden: C. brevis, C. fasciatus, C. gypsicolus, C. reticulatus, C. switaki en C. variegatus. De overige twee soorten, C. elegans en C. mitratus, vinden we in de vochtige gebieden.

De soorten uit dit geslacht zijn, net zoals het geslacht Goniurosaurus, slank. Alleen hebben ze niet zulke lange, spinachtige poten als Goniurosaurus spp. dat hebben. Net zoals hun Aziatische familieleden mogen Coleonyx spp. ook graag wat rondklauteren, vooral de soorten die in de vochtige bossen voorkomen. Ook wat kleur betreft zijn de gekko’s uit dit geslacht bijzonder fraai. Een donkere achtergrond wordt afgewisseld met gele, bruine en zelfs oranje vlekken.

In het terrarium komen we deze Amerikaanse lidgekko’s sporadisch tegen C. mitratus wordt regelmatig geïmporteerd uit Honduras. C. elegans, C. variegatus en C. reticulatus worden bij onze oosterburen regelmatig nagekweekt. Over het algemeen zijn de soorten die voorkomen in de droge gebieden wat eenvoudiger te houden dan de soorten die uit vochtige gebieden komen. Een vochtig terrarium brengt een groter risico op schimmels en bacteriën met zich mee en het schoonhouden is lastiger en kost meer tijd. Echt moeilijk houdbaar zijn ze eigenlijk geen van allen.
De soorten die voorkomen in de droge gebieden, kunnen op dezelfde wijze gehouden worden als de luipaardgekko. Een klein terrarium met zand op de bodem, wat schuilplaatsen en een waterbakje is een prima onderkomen voor deze dieren. Het is, zeker als je met deze dieren wilt kweken, wel aan te raden om een plek in het terrarium wat vochtiger te houden. De soorten die voorkomen in vochtige gebieden, C. elegans en C. mitratus, moeten als vanzelfsprekend vochtig (maar niet zeiknat!) gehouden worden. Ook moet je bij deze dieren uitkijken dat het niet te warm wordt; temperaturen boven de 30 °C dienen vermeden te worden! Het terrarium kun je inrichten met stukken kurk, takken en veel (kunst)planten.
Het kweken met deze dieren vergt ook niet veel moeite. De dieren uit de droge gebieden hebben een winterrust nodig bij zo’n 15 °C om in voortplantingsstemming te komen. Geef de dieren een vochtige eilegbak zodat ze hun eieren goed kwijt kunnen. De dieren uit vochtige gebieden hebben geen winterrust nodig om tot voortplanting te komen. Als stimulans zou je vaker kunnen sproeien, om zo de regentijd na te bootsen. De eieren van alle soorten kunnen uitgebroed worden bij 28-30 °C.

Tot Slot
In dit artikel zijn de 6 geslachten van de familie Eublepharidae de revue gepasseerd. Uiteraard is deze informatie bij lange na niet volledig. Dat is ook niet mijn bedoeling. De bedoeling is om deze interessante familie ‘voor te stellen’ en de hobby kennis te laten maken met een groep hagedissen die bijzonder fraai zijn en over het algemeen goed in terraria te houden zijn. Informatie over de aparte soorten is er voldoende, maar een artikel of boek die de familie als geheel behandeld niet. Er is overigens wel een Duits boek in aantocht die deze familie als geheel behandelt, getiteld ‘Die Lidgecko’s’ van de bekende auteurs YURI KAVERKIN en HERMANN SEUFER. Tot slot geef ik nog een lijst met boeken waarin informatie te vinden is over verschillende soorten lidgekko’s.

Literatuur
Eén boek waarin de lidgekko’s als groep behandeld worden, is nog niet beschikbaar. Ik zelf zit al een tijdje met smart te wachten op het boek van KAVERKIN en SEUFER. Voorlopig blijf ik dat maar zo geduldig mogelijk doen. De volgende literatuurlijst bevat boeken en een website waarin één of meerdere lidgekko’s behandeld worden. Helaas komen de meeste boeken niet veel verder dan de geslachten Coleonyx, Eublepharis en Hemitheconyx.

- HERMANN SEUFER (1995): Keeping and breeding gecko’s. TFH Publications inc. ISBN: 0866222189.
- FRIEDRICH WILHELM HENKEL, KNÖTICH M., SCHMIDT W. (2000): Leopardgeckos. Natur und tier Verlag. Münster. ISBN: 393158738X.
- F. W. HENKEL, SCHMIDT. W. (2003): Praxisratgeber Geckos. Edition Chimaira. Frankfurt am Main. ISBN: 3930612712. (aanrader, ook in het Engels).
- GUNTHER KÖHLER (2003): Inkubation von Reptilieneiern. Herpeton. ISBN: 3980289265. (incubatiegegevens).
- HERBERT RÖSLER (1995): Geckos der Welt. Urania Verlag. Leipzig. ISBN: 3332005499 (aanrader).
- http://www.embl-heidelberg.de/~uetz/LivingReptiles.html (taxonomie)