Informatie over Rhacodactylus ciliatus

Categorie: Hagedissen

Familie: Gekkonidae
Subfamilie: Diplodactylinae
Geslacht: Rhacodactylus
Soort: ciliatus

Rhacodactylus ciliatus werd voor het eerst omschreven door Guichenot in 1866 onder de naam Correlophus ciliatus. In 1883 kreeg het dier zijn huidige naam: Rhacodactylus ciliatus, gegeven door Boulenger. Er werden diverse dieren meegenomen naar musea vanaf Ciu en Noumea, Grande Terre ( Nieuw Caledonië)

Begin 1990 zijn er diverse expedities georganiseerd naar Nieuw Caledonië waarbij geen enkele levende R. ciliatus werd waargenomen. Over de jaren heen werd toen aangenomen dat Rhacodactylus ciliatus was uitgestorven. Dit veranderde toen in 1994 tijdens een storm een R. ciliatus werd waargenomen op de Isle of Pines. Op dat moment kwam er een import stroom opgang. W. Henkel heeft een aantal dieren via legale import geïmporteerd er werden helaas echter ook dieren gesmokkeld Het gevolg was dat er in Amerika een grote verscheidenheid aan diverse lijnen te verkrijgen was.

Rhacodactylus ciliatus hoort bij de grote groep gekko’s met vaste oogleden (Gekkoninae, Teratoscincinae, en Diplodactylinae)

Het complete geslacht Rhacodactylus bestaat uit 6 verschillende soorten, namelijk:

  • Rhacodactylus auriculatus
  • Rhacodactylus chahoua
  • Rhacodactylus ciliatus
  • Rhacodactylus leachianus
  • Rhacodactylus sarasinorum
  • Rhacodactylus trachyrhynchus

Rhacodactylus species kunnen met recht een bijzonder geslacht worden genoemd. Niet alleen bevat dit geslacht de grooste nog levende gekko soort ter wereld ( Rhacodactylus leachianus) maar ook de eerste gekkosoort welke bekend is om het eten van niet alleen andere hagedissen en insecten, maar ook bloemen en planten! ( Rhacodactylus auriculatus) Bovendien is Rhacodactylus trachyrhynchus eilevendbarend... Meer informatie over de diverse andere soorten kan worden gevonden in de andere artikelen op deze website.

Rhacodactylus ciliatus in het wild

Rhacodactylus ciliatus is net als de overige 5 soorten in het geslacht Rhacodactylus endemisch voor Nieuw Caledonië. Dit betekend dat deze mooie soort dus alleen op Nieuw Caledonië in het wild kan worden gevonden. Nieuw Caledonië ligt in het Pacifische gebied en behoord tot Oceanië.

Nieuw Caledonië is in vele opzichten een bijzonder eiland. Niet alleen is het het enige eiland waar Rhacodactylus species voorkomen, het heeft ook een hoge diversiteit aan endemische planten. In totaal komen er 3380 verschillende vasculaire planten voor op Nieuw Caledonië. Het klimaat op Nieuw Caldonië is substropisch. De temperatuur blijft vrijwel het hele jaar ongeveer gelijk, met weinig variatie. Gemiddeld is het tussen de 22 en de 24 graden.Op Nieuw Caledonië komen de volgende typen omgeving voor: Dichtbegroeide altijd groene bossen, savanne bosgrond, stuikgewas, savanne grasland.

Nadat Rhacodactylus ciliatus in 1869 werd beschreven door Bavay werd deze soort de eerste 20 jaar in grote getallen gevonden op Nieuw Caledonië. Na deze eerste 20 jaar heeft het ruim 100 jaar geduurd voordat Rhacodactylus ciliatus in 1994 opnieuw werd ontdekt. Er werd al aangenomen dat ze uitgestorven waren ( BAUER & SADLIER, 1993)

Sinds de herontdekking in 1994 is R ciliatus op diverse locaties op Isle of Pines waargenomen ( Seipp & Klemmer 1994 ; Kullmann 1995 ) alsmede op diverse kleinere eilandjes voor de kust (de Vosjoli 1995 )

De Vosjoli en Vast (1995) verklaarden dat Rhacodactylus ciliatus regelmatig voorkomt op Ilse of Pines, maar niet op het vaste land van Nieuw Caledonië. Echter werden door Bavay (1869) 7 vindingen van R. ciliatus op diverse locaties op het vaste land van Nieuw Caldonië geraporteerd. Ook Guichenot (1866) geeft als locatie een plaats aan op het binnenland van Nieuw Caledonië ( Canala ) Al met al kan worden aangenomen dat Rhacodactylus ciliatus redelijk verspreid voorkomt op Nieuw Caledonië.

Op Nieuw Caledonië behoord het gehele geslacht Rhacodactylus tot de top van de voedselketen, en ze hebben dan ook niet of amper te vrezen voor natuurlijke predatoren. De grootste bedreiging van Rhacodactylus ciliatus wordt gevormt door de belangrijkste vorm van inkomen van de inwoners van Nieuw Caledonië, namelijk de mijnbouw.

Door de mijnbouw, houtkap en bosbranden is de totale hoeveelheid bedekking van Nieuw Caledonië door bos terug gebracht van 90% naar slechts een krappe 20%(!)

Een bijzondere eigenschap van Rhacodactylus ciliatus in de natuur is dat actief achter regenbuien aan gaan. Deze eigenschap werd voor het eerst beschreven door Bavay (1869)

De Aanschaf

Mede dankzij de toenemende populariteit lijkt het steeds makkelijker te worden om nakweek R. ciliatus aan te schaffen. Er worden regelmatig jonge nakweek dieren aangeboden, en zelfs volwassen kweekdieren zijn wel te vinden met enig geduld.

Belangrijk bij aanschaf is dat je van tevoren voldoende informatie verzameld. Het zijn geen gigantisch moeilijke gekko’s om voor te zorgen, maar ze hebben zeker wel hun specialistische eisen. Verdiep je goed in hun terrariumeisen en hun voeding. Praat eens met mensen die de dieren al hebben en als je de mogelijkheid hebt is het verstandig om eens bij iemand te gaan kijken die de dieren thuis heeft staan.

Een goede tip is om de dieren niet al te jong aan te schaffen. Vooral op beursen lijkt het bijna wel of sommige verkopers de dieren rechtstreeks vanuit het ei meenemen om ze maar zo snel mogelijk weer te kunnen verkopen. Het probleem is dat deze dieren nog niet zo sterk zijn ( en vaak wel een lange reis naar de beurs moeten ondergaan) en je bovendien weinig garantie hebt of het dier wel of niet eet. Wanneer je voor een dier kiest wat al wat groter is, zullen dezen meer aankunnen ( ze zijn al wat sterker) en heb je bovendien de garantie dat ze eten ( anders waren ze immers nooit gegroeid) Het verdient in mijn ogen ook altijd de voorkeur om de dieren het liefst rechtstreeks bij een kweker vandaan te halen. Op deze manier minimaliseer je de stres voor de dieren en kunnen je bovendien gelijk de ouderdieren bekijken. Je kunt vragen stellen aan de kweker over de juiste verzorgingsmethode en van dichtbij bekijken hoe de kweker de volwassen en de jonge dieren houd.

Voeding

Rhacodactylus ciliatus is een echte omnivoor. Ze eten zowel fruitpapjes/stukjes als insecten. Op jongere leeftijd zijn vooral de insecten erg geliefd. Op het moment dat de dieren wat ouder worden ( richting een jaar en ouder) kun je merken dat ook fruitpapjes en/of fruitstukjes populairder worden.

Insecten – Voor insecten kan uit een grote verscheidenheid worden gekozen, zowel commercieel als gewoon uit de tuin. Commerciële insecten die oa geschikt zijn voor Rhacodactylus zijn bijvoorbeeld: krekels, kakkerlakken, wasmotten(larven), zijdewormen en sprinkhanen. Het zou echter zonder zijn om de keuze voedseldieren slechts te beperken tot de commercieel verkrijgbare insecten. Ook in de tuin is een grote variëteit aan geschikte voerdieren te vinden. Denk dan bijvoorbeeld aan pissebedden, spinnetjes, motjes, regenwormen, (naakt)slakken, vliegen, langpoters, etc

Het voeren van insecten kan erg makkelijk gedaan worden middels een voerbakje. Op deze manier heb je de insecten niet door de hele bak heen ( met het risico op ontsnappen) en zorg je er bovendien voor dat je Rhacodactylus makkelijk zijn eten kan vinden. Wanneer je deze methode van jongs af aan gebruikt zal je al snel merken dat de dieren al snel elke avond rond het voerbakje te vinden zijn op zoek naar eten. Deze methode is ook erg geschikt om dieren op een gegeven moment zonder problemen te wennen aan een (stuk) groter terrarium. Ze weten dan immers waar ze hun eten kunnen halen zodat je geen of minder risico hebt op dieren die hun voedsel niet kunnen vinden.

Fruit – Zeker naarmate de dieren ouder worden is het verstandig om regelmatig fruitstukjes of babypapjes voor te zetten. Een kleine rondvraag op het forum van de UROwerkgroep leidde tot de conclusie dat de meeste mensen hun Rhacodactylus ciliatus gemiddeld ongeveer 1~2 keer per week fruit gaven. Erg makkelijk is het om fruit te geven in de vorm van babyvoeding. Deze potjes zijn bij vrijwel elke supermarkt te koop en niet zo heel erg duur in aanschaf ( ong. €0,80 per potje) Mijn Rhacodactylus ciliatus lijkt de voorkeur te hebben aan de potjes waar kleine stukjes fruit in zitten. Deze worden er steevast uitgevist. Je kunt natuurlijk ook gewoon zelf een vruchtenpapje maken, of zachte stukjes fruit voeren. Bijvoorbeeld appel, banaan, meloen, mango etc. Laat fruit en fruitpapjes niet meer dan 24 uur staan! Beide bederven snel!

Bij zowel het voeren van insecten als van fruitpapjes is het belangrijk om de hoeveelheid calcium en vitaminen die je gekko binnen krijgt in de gaten te houden. Te weinig calcium kan zeer vervelende gevolgen hebben. Een calcium tekort is onder anderen te herkennen aan een vreemd gevormde staart ( hobbels, kinken) en wanneer het dier trilt.

Voederinsecten kunnen eenvoudig worden bepoederd met calciumlactaat, gistocal of andere calcium preparaten. Met fruitpapjes kan het er eenvoudig door heen gemengd worden. Doe er echter niet onnodig veel doorheen! Sommige dieren zullen er dan niet meer van eten. Wanneer je gistocal door fruitpap heen mengt zul je kunnen waarnemen dat de papjes de volgende dag blauwig opkleuren.

Persoonlijk voor ik mijn eigen R. ciliatus zeer onregelmatig. De ene keer krijgt hij een paar dagen achter elkaar 1 insect per dag, maar soms krijgt ze ook rustig een week geen eten. De frequentie voor fruitpapjes ligt nu ongeveer op eens in de twee weken. Het is de bedoeling dit aantal omhoog te schroeven naar 1 a 2 keer per week daar het dier nu inmiddels 1 jaar oud is. Nu ze nog in de groei is lijkt ze wel geen genoeg te kunnen krijgen van het eten. Zowel overdag als in de late avonduren zit ze bij haar voerbakje op de uitkijk naar eten.

Voer frequentie

Het aantal keren dat ik mijn Rhacodactylus voer varieert tussen de twee en de drie keer per week. Dit geld zowel voor de jonge als de volwassen R. ciliatus. De dieren krijgen bij mij een onregelmatig voerschema. In verhouding krijgen de jonge dieren iets vaker insecten en de volwassen dieren iets vaker vruchtenpap. Vruchten(pap) word minstens 1 keer per week aangeboden.

Voer zeker niet teveel! Volwassen dieren kunnen snel te dik worden. Ook voor jonge dieren in de groei is teveel eten niet goed. Wanneer je jonge dieren te veel voert zullen ze in verhouding te snel groeien wat nadelige gevolgen heeft voor hun inwendige organen. Voor de gezondheid van de dieren is het beter om gematigt te voeren, zodat de jonge R. ciliatus de kans krijgen om rustig en gelijkmatig te groeien.

Preperaten

Rhacodactylus ciliatus is gevoelig voor een tekort aan calcium. Het is dan ook erg belangrijk om vrijwel elke maaltijd (insecten en fruit) te bepoederen met calcium. Insecten kunnen op eenvoudige wijze worden bepoederd door de insecten samen met wat calciumlactaat of een ander preperaat naar keuze in een potje te doen, en deze even lichtjes te schudden. Bij vruchtenpapjes kan het preperaat er makkelijk doorheen gemengt worden.

Aan te raden calciumpreperaten zijn calciumlactaat en gistocal. Calciumlactaat is te verkrijgen bij de apotheker van het merk Tendo en lost makkelijk op in water. Voor 1 pot ( 400 gram) betaal je ongeveer €7 a €8 euro. Calcium lactaat is van oorsprong bedoelt voor menselijke consumptie, maar ideaal voor reptielen vanwege het feit dat het makkelijk oplost in het water en dus ook makkelijker in het lichaam wordt opgenomen van bijvoorbeeld calcium carbonaat. Gistocal is van oorsprong bedoelt voor honden en katten en is in de meeste dierenspeciaalzaken wel verkrijgbaar. 1 pot kost tussen de €7 en de €12 euro. Gistocal is niet geschikt om op te lossen in water. Ook is het aan te raden om voor vruchtenpapjes calciumlactaat te gebruiken inplaats van gistocal aangezien de papjes de eigenschap hebben blaauw te worden wanneer er gistocal doorheen wordt gemengt. In gistocal zitten ook een beperkt aantal vitamines. Bewaar gistocal dan ook niet te lang, aangzien deze vitaminen kunnen bederfen.

Behalve het bepoederen van het eten kan er eventueel ook een bakje met gemalen sepia in het terrarium worden gezet. Vaak maken vooral zwangere vrouwen hier dankbaar gebruik van. Op deze manier kunnen ze naar eigen behoefte hun calcium vooraad aanvullen. Een “teveel” aan calcium wordt simpelweg weer uitgescheiden uit het lichaam, dus je hoeft niet bang te zijn voor een overdosering aan calcium.

Naast een calciumpreperaat kan er in beperkte mate ook een vitaminepreperaat worden gegeven. Een preperaat dat wij hier veel gebruiken is Vitasol. Dit is te bestellen bij de oliemeulen in Tilburg. Vitasol kan in hele kleine hoeveelheden worden opgelost door het sproeiwater. Aangezien R. ciliatus ook vitamines binnenkrijgt via de vruchtenpapjes is het aan te raden dit niet vaker dan 1 keer per maand te doen. Het is puur bedoeld als extra ondersteuning. Een teveel aan vitamines is vaak schadelijker dan een tekort eraan!

Water

Rhacodactylus ciliatus drinken relatief veel. Hiertoe is het belangrijk om in elk geval elke avond goed het terrarium te besproeien. Gebruik hiervoor geen steenkoud water! Sommige R. ciliatus kunnen leren uit een bakje te drinken. Ook willen ze nog wel eens uit bromelia’s drinken. Let er hierbij wel goed op dat de plant onbespoten is! Ook wanneer je dieren uit een waterbakje of plant drinken is het aan te raden toch elke avond even te sproeien. Dit mede voor de luchtvochtigheid. In de natuur jaagt R. Ciliatus actief achter de regenbuien aan ( BAVAY, 1869)

Huisvesting

De huisvesting van Rhacodactylus ciliatus kan op verschillende manieren gebeuren. De dieren kunnen worden gehuisvest in een zogenaamd “natuurlijk” terrarium, of op een manier die vooral in Amerika populair is: Een bak waar alleen het hoognodige instaat. Hoe je de bak ook inricht, een aantal eisen blijft natuurlijk gelijk. Zo mag de temperatuur zeker niet te hoog worden, en moet het dier over voldoende vocht kunnen beschikken in de zin van een waterbakje of hoge relatieve luchtvochtigheid.

Simpele inrichting –

Mogelijke opbouw: De bodembedekking van een “simpel” terrarium bestaat 9 van de 10 keer uit papier, vaak keukenpapier maar soms ook gewoon kranten. Sommige mensen gebruiken ook een soort van kunststof nepgras matten omdat dit door sommigen mooier wordt gevonden. Een voordeel van papier is dat het makkelijker vervangen kan worden. Plastic matjes moeten eens in de zoveel tijd compleet vervangen worden, of op regelmatige basis worden uitgewassen.
Schuilplaatsen worden veelal gegeven in de vorm van eiertrees. Deze eiertrees zijn ongeveer 30*30 cm en wanneer ze om en om gestapeld worden ( bovenkant – onderkant – bovenkant etc) bieden ze voldoende tussenruimte waar de gekko’s tussen kunnen kruipen. Schuilplaatsen kunnen verder worden aangeboden in de vorm van bijvoorbeeld nepplanten, strategisch geplaatste takken/pvc buizen etc.

Aangezien sproeien in een degelijk terrarium niet evident is, wordt meestal gekozen voor het plaatsen van een waterbakje. R. ciliatus kan hieruit leren drinken. Een andere mogelijkheid is een druppelsysteem of een hoek zo inrichten dat daar zonder problemen gesproeid kan worden.

Voor- en nadelen : Een voordeel van een degelijke basis inrichting is dat alles makkelijk vervangen kan worden. Wanneer er problemen zijn in de vorm van een plotseling ziek en/of verzwakt dier kan de inrichting makkelijk vervangen worden voor nieuwe. Verder is een degelijke inrichting laag in kostprijs en makkelijk qua onderhoud. Een basisinrichting is dan ook erg geschikt wanneer er een nieuw dier wordt aangeschaft welke altijd eerst nog een tijdje in quarantaine moet. Het grootste nadeel van een degelijke inrichting blijft natuurlijk het uiterlijk van de bak. Een bak die is inrichting met papier en kartonnen dozen is niet mooi om naar te kijken… Iets wat ook vaak gehoord is, is de kreet dat dit geen natuurlijke omstandigheden zijn voor de dieren. Buiten het feit dat een terrarium sowieso al geen echte natuurlijke omstandigheden kan bieden, zijn er al vele mensen geweest die hun R. ciliatus op deze manier succesvol houden. Voor de dieren zelf lijken er dus geen nadelen te bestaan, mits ze zich kunnen verstoppen en de leefomstandigheden als temperatuur en luchtvochtigheid in orde zijn.


Natuurlijke inrichting –

Mogelijke opbouw: Bij een natuurlijk ingerichte bak bestaat de ondergrond in de meeste gevallen uit turf, cocospeat en/of tuinaarde. Een vereiste voor alledrie is natuurlijk dat er geen meststoffen in mogen zitten! Let hier dus goed op bij aanschaf! Op reptielenbeursen zijn vaak wel speciale pakken turf te koop die je na aankoop moet weken voordat je ze kunt gebruiken. Deze pakken zijn vrij van meststoffen.

Een natuurlijke bak kun je verder inrichten met echte en/of nepplanten. Voorbeelden van planten die het goed doen in een R. ciliatus terrarium zijn bijvoorbeeld Bromelia’s, Sanseveria’s en palmachtige planten. Let er bij aanschaf op dat de planten niet te teer zijn. Kleine R. ciliatus jongen wegen bijna niks en zullen in de meeste gevallen wel blijven hangen, een volwassen R. ciliatus kan een plant echter behoorlijk doen doorbuigen! Planten met stekels, gif etc zijn ook niet geschikt om in een terrarium te plaatsen.

Om te voorkomen dat je (jonge)R. ciliatus hun voerdieren niet kunnen vinden in de natuurlijk ingerichte bak kun je er voor kiezen om voedselbakjes te gebruiken. Deze bakjes moeten minimaal 10 cm in hoogte zijn om te voorkomen dat de voedseldieren eruit kunnen kruipen. Je kunt dit bakje ingraven in je bodembedekking. Dit ziet er niet alleen mooier uit, het voorkomt bovendien dat je de dieren de etensbak om zullen gooien wanneer ze op de rand springen! Zeker bij de wat zwaardere volwassen dieren kan dit wel eens lastig zijn.

Drinkwater kun je op verschillende manieren aanbieden. 1 daarvan is een drinkbakje. R. ciliatus kan leren uit een waterbakje te drinken. Voordeel hiervan is dat ze 24/7 over water kunnen beschikken en dat je rustig eens een dagje weg kan zonder dat je iemand hoeft te vragen om voor je te sproeien. Let er wel op dat de bakjes niet al te diep zijn!
Vooral jonge dieren kunnen makkelijk verdrinken.
De tweede manier is al even zijdelings genoemd en bestaat dus uit het sproeien van de bak. Wanneer 1 één keer per dag 1 hoek van de bak even nat sproeit langs de ruitjes krijgen ze ook genoeg vocht binnen. Vooral als je echte planten in de bak hebt staan houden die de luchtvochtigheid goed vast waardoor de dieren zelf minder snel vocht verliezen. Wanneer de dieren dorst hebben zullen ze de druppels van de ramen aflikken.

Voor en nadelen 1 van de grootste voordelen van een natuurlijk ingerichte bak is het uiterlijk. Wanneer je een beetje handig bent met inrichten kun je een prachtige bak neerzetten. Op deze manier heb je er een soort van levend schilderij bij op je kamer. Een nadeel is het grotere onderhoud wat erbij komt kijken. Levende planten vergen meer verzorging dan een bak alleen ingericht met papier en plastic. De planten hebben water nodig, en zeker net zo belangrijk is voldoende licht. Het kan hiervoor aan te raden zijn om een UV lamp in de bak te plaatsen, welke natuurlijk ook weer het nodige kost. Een ander nadeel is de hogere aanschaf – en vervangprijs. Planten, kienhout etc kosten soms veel geld. Als er een keer een dier ziek wordt en de bak moet leeg, kost het meer moeite en geld om de bak volledig opnieuw in te richten.


Afmetingen van de bak

De bak van R. ciliatus moet eerder hoog zijn dan breed. Een hoogte van minimaal 60 cm is aan te raden, hoger is natuurlijk altijd beter. Voor een koppel is een bak van 40*40*70 ideaal. Voor een trio kun je een bak nemen van 60*40*70. Maar ook hier geld, groter kan altijd.

Voor jonge dieren gelden natuurlijk afwijkende maten. Hele jonge dieren kunnen ideaal worden gehouden in de zogenaamde faunaboxen. Een gemiddelde maat van 30*20*20 is ideaal. Zet liever niet meer dan twee dieren per bak, ook om competitie te voorkomen. Wanneer je de dieren snel went aan het eten uit etensbakjes, kun je er al snel voor kiezen om de dieren te verhuizen naar een grotere, eventuele al definitieve bak. Het grootste probleem met hele kleine jonge dieren in een groot terrarium is namelijk meestal het vinden van eten. Zodra ze echter weten waar ze dat kunnen vinden ( in hun etensbakje) mag dit in principe geen problemen meer opleveren. Hou het natuurlijk wel goed in de gaten!


Verlichting

Gezien het feit dat R. ciliatus geen hoge temperatuur nodig heeft, en temperaturen boven de 30 graden zelfs uitermate slecht verdraagt is een spot niet aan te raden. De meeste R. ciliatus houders die ik ken, inclusief mijzelf, houden de dieren succesvol op ongeveer kamertemperatuur. Deze lage temperatuur wordt behouden middels het gebruik van een spaarlamp. Deze lampen geven bij een laag wattage van ongeveer 8~12 watt evenveel licht als een normale 60 watt lamp. Ideaal dus! Op deze manier hou je de temperatuur laag, de lichtopbrengst hoog, en de stroomkosten laag.

R. ciliatus kan prima gehouden zonder de aanwezigheid van een UV lamp. Het kan echter zeker geen kwaad om er voor te kiezen toch een UV lamp in het terrarium te hangen. Hoewel het in principe schemeractieve dieren zijn, zul je kunnen merken dat ze vaak toch het licht opzoeken. In de natuur staan ze erom bekend overdag hoog in de takken in de zon te liggen slapen ( bron: Rhacodactylus, a complete guide to their selection and care; ISBN 0974297100 )

Een andere nieuwe mogelijkheid is het gebruik van een goede daglichtlamp. Deze lampen geven bijna het volledige lichtspectrum af, en zodoende ook een kleine hoeveelheid UV. Normale lampen geven slechts een klein deel van het lichtspectrum af, waardoor het licht vaak erg geel van kleur is. Meer informatie over daglichtlampen is te vinden op http://www.reptielenlampen.nl.


Mijn eigen voorkeur qua inrichting gaat zoals reeds genoemd naar een natuurlijk ingericht terrarium. Zelf heb ik inmiddels twee tropisch ingerichte terrariums staan, 1 voor mijn vrouwtje, 1 voor het nog aan te schaffen mannetje. In deze terrariums heb ik diverse planten staan. Vooral de sanseveria’s doen het goed, daar die gelijk ook schuilplaatsen bieden. De palmachtige planten waren met name populair toen het dier nog lichter in gewicht was.

Ik zelf maak ook gebruik van een etensbakje. Mij eigen R. ciliatus was hier erg snel aan gewend en zit nu dan ook elke avond braaf bij haar etensbakje te wachten op eten. Nog wat jachtmogelijkheden worden aangeboden in de vorm van (was)motjes die los in de bak gaan. Verder krijgt het dier af en toe vliegen, die ook gewoon los in de bak gaan.

Qua verlichting gebruik ik in de zomer maanden een spaarlamp van 8 watt. In de koudere warmtemaanden wordt deze vervangen door een UV lamp van 40 watt ( geven minder warmte af dan een reguliere 40 watt lamp) Mijn terrarium is 40*40*70 voor 1 dier.

Kweken

Over kweken kan ik slechts mijn eigen mening weergeven en doorgeven wat ik van anderen heb geleerd. Vooralsnog heb ik zelf geen eigen ervaringen met kweken. De R. ciliatus die ik heb, heb ik gekregen van Tariq Stark bij een leeftijd van een kleine 3 maanden oud. Inmiddels het dier uitgegroeid tot een mooie stevige vrouw van iets meer dan jaar. De bedoeling is dat er over een aantal maanden een man bij komt, zodat ik volgend kweekseizoen mijn eigen kweekpogingen kan gaan wagen.

Bij mijn vriend Tariq Stark heb ik echter al wel de kunst af kunnen kijken. Hij kweekt reeds een aantal jaren succesvol met deze geweldige dieren. Ik heb er reeds een aantal malen getuige van mogen zijn dat er net één uit het ei was gekropen, nog helemaal nat en vermoeid van de zware reis. Ook heb ik het hele proces al een keer van dichtbij kunnen meemaken. Van het hoogzwangere vrouwtje, tot het leggen van de eieren, het groeien van de eieren over de tijd en uiteindelijk de jongen.

Voor het uitbroeden gebruiken een aantal kwekers verschillende methoden. Vele kwekers, waaronder T. Stark, zetten de eieren in een apart bakje bij de ouderdieren. Door de fluctuerende temperaturen overdag en ’s nachts zou je kunnen voorkomen dat de dieren zwakker uit het ei komen. Ook vele grotere kwekers gebruiken deze methode aangezien ze minder succes hebben gehad met het gebruik van een broedstoof welke een stabiele temperatuur hanteert.

Op de GekkoWerkgroep is echter te lezen dat er ook een aantal kwekers zijn welke wel succesvol gebruik maken van een broedstoof met stabiele temperaturen. Welke methode uiteindelijk wordt gebruikt is natuurlijk ieder aan zich. Als ik zelf eieren krijg, ga ik ze in elk geval op kamertemperatuur bij de ouders uitbroeden.

Leeftijd ouderdieren

De leeftijd waarop het kan worden gekweekt met de ouderdieren is ook onderhevig aan meningen. Het vrouwtje moet in elk geval minimaal 1 jaar zijn. Velen, waaronder ook ikzelf, gebruiken echter een iets hogere leeftijd, namelijk ongeveer anderhalf jaar. Door iets langer te wachten verzeker je jezelf ervan dat het dier echt uitgegroeid is. Het vrouwtje is dan net even iets sterker, en kan gemiddeld meer aan. Het dragen en leggen van eieren kost namelijk enorme hoeveelheden energie. Er moet een dikke kalkschaal worden aangemaakt. Het spreekt voor zichzelf dat beide dieren hoe dan ook in topconditie moeten zijn. Voor het mannetje geld in principe geen minimum leeftijd daar die er geen nadelige gevolgen aan over houd. Het is echter wel aan te raden om en man en vrouw te nemen die overeenkomen in grote. Dit komt gemiddeld neer op een man van ook ongeveer 1 jaar of ouder.

Opkweken van de jongen

Wanneer de eieren bij fluctuerende kamertemperaturen worden uitgebroed komen de jongen ongeveer na 70~75 dagen uit het ei. Hierbij geld, hoe hoger de gemiddelde temperatuur, hoe eerder de jongen uit het ei komen. Wanneer er hele lage temperaturen worden gebruikt kan het soms zelfs wel drie maanden of meer duren voordat de jongen uitkomen. Bij hogere temperaturen zijn wel eens uitkomsten bij zo weinig als 55 dagen gemeld. Voor je jongen is het verruit het meest gezond om gewoon een gemiddelde kamertemperatuur te gebruiken. Voor sommigen is het misschien verleidelijk om te kiezen voor hogere temperaturen zodat je sneller uitkomst hebt, echter zijn deze jongen over het algemeen ook zwakker daar ze minder tijd hebben gehad om alles goed te ontwikkelen. 

Wanneer de jongen net uit het ei komen zijn het nog kleine fragiele dieren. Het is verstandig om even de eerste vervelling af te wachten voordat je ze verplaatst naar een faunabox of andere bak. Let er wel op dat ze niet de andere eieren in het legbakje over de kop rollen. De jongen die nog in het ei zitten kunnen daardoor namelijk verdrinken.

Al na een aantal daagjes kun je proberen om kleine prooien aan te bieden. Bijvoorbeeld pissebedden kleine kakkerlakken, stofkrekels, wasmotjes etc.

Sproei de bakjes 1 keer per dag in één van de hoeken zodat de jonge dieren voldoende vocht binnen krijgen. Een vochttekort kan al snel fataal worden doordat nierfalen al snel kan gebeuren.

Op jongere leeftijd zijn vooral insecten erg geliefd. Het is aan te raden om al van jongs af aan gelijktijdig wanneer je de ouderdieren fruitpap geeft ook de jongen wat aan te bieden. De kans is echter groot dat zeker de eerste maanden hier niet tot weinig van wordt gegeten. Naarmate de dieren ouder worden zullen ze vanzelf steeds meer interesse gaan tonen in fruitpapjes.

Mijn eigen R. ciliatus begon pas met een leeftijd van bijna 1 jaar echt van de fruitpapjes te eten. De insecten lijken vooralsnog favoriet te blijven, maar zeker de stukjes fruit in de fruitpapjes worden ook met veel succes opgegeten.

 

 

 

afbeelding