Het kweken en verzorgen van roofwantsen

Categorie: Inverts Auteur: Bobby
Cetoninae Forum

Roofwantsen (familie Reduviidae) zijn erg interessante insekten om te houden in een klein terrarium. Er zijn veel verschillende soorten maar helaas worden er maar twee soorten daarvan in terraria verzorgd en regelmatig aangeboden, deze twee zijn:

Platymeris biguttatus, afkomstig uit Oost-Afrika.
Platymeris rhadamanthus, afkomstig uit West-Afrika.

Uiterlijk:
Platymeris soorten worden tot 4 centimeter groot. Ze hebben een zwarte basiskleur en afhankelijk van de soort ook nog gekleurde banden om de poten en gekleurde stippen op de dekvleugels. Platymeris biguttatus heeft gele banden om de poten en witte stippen op de dekvleugels. P. rhadamanthus heeft rode banden en stippen. Aan weerzijden van het borst stuk bezitten beide soorten twee stekels waarmee niet gestoken kan worden. De dieren bezitten een goed gezichts vermogen en jagen voornamelijk op zicht. Aan weerzijden van de kop staan de twee ogen. Onder de kop hangt een steeksnuit welke alle wantsen bezitten, dit onderscheid hun onder andere van kevers waarmee ze vaak verward worden. Kevers bezitten kauwende monddelen en wantsen bezitten een steeksnuit.

Volwassen P. biguttatus

Huisvesting:
Wantsen nemen niet veel ruimte in beslag dus een klein verblijf voldoet. Minimum eisen van een verblijf voor een roofwants kweekgroep is 40x30x30. Het verblijf kan een oud-aquarium zijn met een goedsluitend deksel of een volglazen terrarium . Waar men op moet letten bij een glazen terrarium met schuifruiten is dat de jonge nimfen door de kleinste kiertjes gaan dus de kier tussen beide schuifruiten zal moeten worden afgedicht met een strook karton of iets dergelijks. Hetzelfde geld voor een faunabox, de nimfen lopen tegen glas en plastic op en kunnen dus door de kiertjes in het deksel. Het meeste ideaal is dus een volglazen bak met een ruit die kan worden opgetild. Op de bodem van het terrarium komt een ondergrond die goed vocht vasthoudt, goed te gebruiken zijn bosgrond, turfmolm of coco-peat. De bodemlaag moet ongeveer 5 centimeter dik zijn. De bak kan verder worden ingericht met stukken (kurk)schors, stukken hout, (plastic)plantjes of eventueel stenen. Belangrijk is dat voornamelijk de nimfen voldoende schuilplaatsen kunnen vinden daar de dieren geneigd zijn naar kannibalisme. Aan de temperatuur worden geen bijzondere eisen gesteld zolang deze tussen de 21-31°Celsius blijft overdag en 's nacht liefste niet onder de 17-18 graden. De luchtvochtigheid mag redelijk hoog zijn, zeker niet onder de 50%. Het beste is een luchtvochtigheidsgraad van 70-80%. Een handig hulpje bij het schoonhouden van de bak zijn buffalowormen, ze eten niet van de eitjes van de wantsen maar eten wel van de leeggezogen krekellijkjes op de bodem van de bak.

Vervelling:
De dieren vervellen meestal hangend aan een takje of een stuk schors, het vel breekt open bij het borst stuk waarna de wants uit zijn oude huid glijdt. Na de vervelling zijn de wantsen schitterend gekleurd maar na enkele uren hebben de dieren alweer hun typische zwarte kleur.

halfwas dier net na de vervelling, het excuvien hangt er nog naast.

Voeding:
Het zijn geen moeilijke eters en eten in principe alles wat kleiner is dan hun zelf of soms zelfs groter. Mogelijke voedseldieren voor de volwassene zijn, krekels, kakkerlakken, halfwas treksprinkhanen, meelwormen, wasmotlarven etc. Mogelijke voedseldieren voor de nimfen zijn, kleine krekels, kleine kakkerlakken, buffalowormen, krulvliegen etc. De dieren zijn soms kannibalistisch, waar ik later nog op terug kom, maar zijn soms ook communicaal. Zo is bekend dat meerdere dieren zich soms storten op een prooidier en die gezamenlijk leegzuigen. Ook zuigen nimfen vaak mee aan een krekel gevangen door een volwassene. De roofwantsen zijn geen actieve jagers en hangen vaak onder een stuk schors of zitten er bovenop te wachten tot er wat langs komt. Mocht er zich een prooidier voordoen dan wordt de prooi gegrepen en vatgehouden met de voorpoten en daarna zal de wants zijn steeksnuit in het prooidier steken. Eerst wordt een verlammend enzym ingespoten om de prooi rustig te houden en daarna wordt die leeggezogen. Water kan verstrekt worden door middel van sproeien. Ongeveer tweemaal per week even licht sproeien zodat er waterdruppels ontstaan die door de dieren worden leeggezogen.

Kannibalisme:
Het kannibalisme bij deze dieren valt over het algemeen mee, zolang er voldoende voeding en water wordt volstrekt zullen de dieren zich zelden vergrijpen aan een soortgenoot.

Voortplanting:
Als de dieren volwassen zijn zullen ze zich spoedig voort planten. De vrouwtjes laten de eitjes op de grond vallen of boren hun achterlijf voor een deel de grond in en leggen dan hun eitje. De eitjes kunnen in het terrarium gelaten worden zolang het substraat licht vochtig gehouden word. Na maximaal twee maanden komen ze uit. De jonge dieren kunnen bij de ouderdieren blijven zolang er voldoende voeding, water en schuilplaatsen zijn.

jonge nimf

Giftigheid:
De dieren bezitten een verlammend gif en volgens de literatuur kunnen de dieren dit gif in de ogen spuiten indien bedreigd en kunnen ze er mee steken. Het schijnt zelfs dat de steek snuit door een nagel heengaat. Ik heb zelf totaal geen ervaring met de giftigheid van deze dieren maar toch is het even oppassen. Het gif is ook niet dodelijk maar het zou wel flink pijn kunnen doen. De dieren mogen nooit met de blote hand opgepakt worden en dienen altijd met een plastik bakje gepakt te worden.

Mochten zich er toch vragen voordoen, vraag maar raak! Ik heb beide soorten.

afbeelding